Naar hoofdinhoud

Artikel Inleiding

Artikel Inleiding

Onderdeel van Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg

1.1 De nieuwe rol van de gemeente De invoering van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) en de genoemde toegenomen aandacht voor de archeologische zorg binnen het ruimtelijk beleid hebben grote gevolgen voor de gemeente. Omdat in Nederland het grootste deel van de ruimtelijke ingrepen op gemeentelijk niveau plaatsvindt, worden gemeenten nu ook in de meeste gevallen bevoegd gezag inzake de zorg voor archeologische waarden. Bij ruimtelijke planvorming zal de gemeente dan ook zelf nadrukkelijk rekening moeten houden met de cultuurhistorische (waaronder archeologische) waarden binnen het eigen grondgebied. Aan besluitvorming en vergunningverlening zullen zonodig voorwaarden moeten worden verbonden. Waar nodig zal de gemeente voorts zelf toezicht moeten gaan houden op de uitvoering van archeologisch onderzoek bij bodemverstorende activiteiten en - indien het gaat om gemeentelijke (bouw)projecten - moeten fungeren als opdrachtgever voor de noodzakelijke archeologische werkzaamheden. De gemeente Nuenen zal de komende jaren een aantal nieuwbouwprojecten realiseren in het buitengebied en binnen de dorpskernen. De uitvoering ervan kan gepaard gaan met bodemingrepen die de bijzondere archeologische resten zouden kunnen aansnijden en verstoren. Het valt niet uit te sluiten dat de bodem geroerd gaat worden op plaatsen waar dit nog niet eerder het geval was. De gemeente stelt zich tot doel steeds een verantwoorde afweging te maken tussen wat in de bodem bewaard moet blijven, onderzocht dient te worden of verloren mag gaan. Voorkomen moet worden dat de meest waardevolle delen van het bodemarchief ongezien verdwijnen. 1.2 Doel van het beleidsplan De bovenstaande ontwikkelingen vormen voor het gemeentebestuur de aanleiding tot het opstellen van dit beleidsplan. Omdat de Wamz gemeenten beleidsruimte biedt om, binnen de kaders van rijks- en provinciaal beleid, naar eigen behoefte financieel en beleidsmatig invulling te geven aan de archeologische monumentenzorg op gemeentelijk grondgebied, is het doel van dit beleidsplan het ontwikkelen en concretiseren van een eigen gemeentelijk archeologiebeleid. De gemeente streeft daarbij naar een juiste balans tussen het provinciale en rijksbeleid inzake archeologie en de eigen invulling daarvan via het behoud van representatieve delen van het landschap en de archeologische vindplaatsen die daarin verborgen liggen. Dat betekent dat de formulering van het archeologiebeleid nauw verweven is met de eigen ruimtelijke ambities en andere voornemens op het gebied van ruimtelijke ordening, infrastructuur, landbouw, cultuur, monumenten en toerisme. Op advies van de provincie Noord-Brabant is het archeologiebeleid ook afgestemd met buurgemeenten en vergeleken met de provinciale cultuurhistorische waardenkaart. Het verwachtingspatroon is gebaseerd op de regio Zuidoost-Brabant van de 21 aangesloten SRE gemeenten en geeft daarmee een gedetailleerder verwachtingsbeeld dan de provinciale kaart die uitgaat van een nog ruimer en daarmee landschappelijk gedifferentieerder gebied. Ook zijn aanvullend (mogelijk) verstoorde terreinen (waaronder reeds archeologisch onderzochte percelen) en archeologisch-historisch waardevolle terreinen nader in beeld gebracht, inclusief de bebouwde gebieden. De kaart is besproken met de stadsarcheoloog van Eindhoven en Helmond en afgestemd met de kaart van Eindhoven en Helmond. SRE is nog bezig met het opstellen van een archeologische kaart voor de gemeente Geldrop-Mierlo. De gemeenten Laarbeek en Son en Breugel hebben vooralsnog geen eigen gemeentelijke beleidskaart. 1.3 Opzet en leeswijzer Het onderhavige beleidsplan is onderverdeeld in drie delen, respectievelijk gegroepeerd rond de thema’s beleidskader, beleidsrealisatie en uitvoering. Deel I (beleidskader) begint met een overzicht van het rijks- en provinciale beleid op het gebied van archeologie en cultuurhistorie (hoofdstuk 2) – het generieke kader waarbinnen de gemeente haar beleid dient te formuleren. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de nieuwe taken van de gemeente. In hoofdstuk 5 staan de belangrijkste andere spelers binnen het archeologiebestel centraal. Het accent ligt dus op de taakverdeling tussen alle stakeholders en de belangrijkste veranderingen daarin bij invoering van de Wamz. In Deel II (beleidsrealisatie) worden de inhoudelijke en theoretische achtergronden voor het opstellen van de diverse archeologische kaarten uitgelegd en wordt ingegaan op de landschappelijke, archeologische en historische kennis van Nuenen en omgeving. Hoofdstuk 7 geeft een karakterisering van het eigen gemeentelijke bodemarchief aan de hand van de bekende archeologische en historische vindplaatsen. In hoofdstuk 8 wordt ingegaan op het gehanteerde verwachtingsmodel wat voor Nuenen is gebruikt als basis voor het opstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting. Dit inhoudelijk kader vormt meteen het uitgangspunt en de onderbouwing voor de invulling van het nieuwe gemeentelijke AMZ-beleid. In Deel III (uitvoering) worden de bouwstenen (hoofdstuk 9) aangedragen waaruit het gemeentelijk archeologiebeleid wordt opgebouwd en via welke beleidsinstrumenten de bescherming van archeologisch waardevolle gebieden in onze gemeente zal worden gerealiseerd. Vervolgens wordt per instrument of bouwsteen aangegeven hoe deze taken, en de uitvoerende werkzaamheden die daaruit voortvloeien, binnen het gemeentelijk apparaat georganiseerd gaan worden. In hoofdstuk 10 wordt daarbij op de eerste plaats ingegaan welke archeologische werkzaamheden op welk moment dienen plaats te vinden en hoe de beleidskaart daarbij te gebruiken is. In hoofdstuk 11 komen de praktische consequenties voor bestemmingsplan- en vergunningprocedures aan bod. Hoofdstuk 12 gaat over contractering en toezicht op de uitvoering en hoofdstuk 13 over de rol van de heemkundekring en de inpassing van archeologische waarden in de ruimtelijke inrichting. Hoofdstuk 14 staat stil bij het grote belang van actuele en eenduidige informatie voor alle betrokkenen. In hoofdstuk 15 wordt tot slot besproken wat de financiële en personele consequenties van het nieuwe beleid zullen zijn. In de praktijk zal met name deel III van het beleidsplan worden gebruikt binnen het gemeentelijke apparaat. Deel I geeft indien nodig de noodzakelijke achterliggende wettelijke regelingen en bepalingen. Deel II zal vooral gebruikt worden door archeologisch deskundigen en archeologische onderzoeksbureaus, die dit archeologisch bureauonderzoek van de gemeente Nuenen kunnen gebruiken als onderlegger en bouwsteen voor hun archeologisch onderzoek.

Rechtspraak bij dit artikel