2.1 Rijksbeleid
De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden was tot in de negentiger jaren voornamelijk een rijksaangelegenheid. De afgelopen jaren zijn de opvattingen over de rol en reikwijdte van het rijk echter ingrijpend veranderd als het gaat om een effectieve zorg voor het ondergrondse erfgoed. Aan de basis daarvan ligt het Europese Verdrag van Malta, dat door Nederland in 1992 werd ondertekend. Om de zorg voor archeologische waarden te garanderen geeft het Verdrag aan dat:
archeologische waarden van meet af aan in de plannen voor ruimtelijke inrichting moeten worden meegewogen;
archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard moeten blijven (‘behoud in situ’);
initiatiefnemers van bodemverstorende activiteiten verplicht kunnen worden om de kosten van archeologisch vooronderzoek te dragen en – alleen als behouden niet mogelijk is – verantwoordelijk zijn voor de kosten van een opgraving. Dit is het zgn. “veroorzakerprincipe” ofwel “de verstoorder betaalt”.
Vanuit de gedachte dat het historisch besef van de eigen leefomgeving een belangrijke kwaliteit is, legt het verdrag daarnaast nadruk op het beleefbaar en beschikbaar maken van de resultaten van archeologisch onderzoek aan het publiek.
Sinds de ondertekening van Malta is behoud en beheer van archeologische waarden beleidsuitgangspunt geworden voor alle overheden. Per 1 september 2007 is de Monumentenwet op dit punt drastisch gewijzigd. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) is de zorg voor archeologische waarden een gedeelde verantwoordelijkheid van alle overheden en burgers. Dit betekent:
Archeologische waarden worden zoveel mogelijk in de grond (‘in situ’) behouden en (planologisch) beschermen;
Alleen als behoud niet mogelijk is worden behoudenswaardige archeologische resten veiliggesteld door middel van opgraving en/of onderzoek;
de beslissing daarover is in de meeste gevallen een gemeentelijke verantwoordelijkheid;
initiatiefnemers van bodemingrepen kunnen financieel verantwoordelijk worden gesteld voor eventueel archeologisch onderzoek (het “ de veroorzaker betaalt - principe”). Het doel is ontwikkelaars te ‘triggeren’ het bodemarchief te ontzien door planaanpassing;
de veroorzaker mag voor de uitvoering van noodzakelijke archeologische werkzaamheden zelf een keuze maken uit erkende aanbieders op de ‘archeologische markt’.
Om archeologische waarden van meet af aan volwaardig mee te kunnen wegen in ruimtelijke plannen is de archeologie via de WAMZ, de Monumentenwet 1988 en de nieuwe Wet ruimtelijke ordening geïntegreerd in de systematiek van de ruimtelijke ordening in Nederland. Daarmee wordt het traject voltooid waarin rijksbeleid en wetgeving op het gebied van ruimtelijke ordening, leefkwaliteit (milieu, natuur) en cultuur nauwer met elkaar zijn verbonden. Rijk en provincie stimuleren tegelijk dat cultuurhistorische waarden zoveel mogelijk worden beschermd en gehanteerd als inspiratiebron voor de ruimtelijke kwaliteit.
Een belangrijk nieuw element in wet en beleid is de introductie van het veroorzakerprincipe. Initiatiefnemers tot bodemverstorende maatregelen - en dat kunnen particuliere exploitanten zijn, de gemeente zelf of andere overheden - kunnen worden verplicht de kosten van het benodigde archeologische onderzoek voor hun rekening te nemen. De overweging hierbij is dat er bij grotere bodemingrepen sprake moet zijn van een uitdaging om het erfgoed zo verantwoord mogelijk mee te wegen en waar mogelijk te integreren in de voorgenomen ontwikkeling. De gemeente dient hiertoe via het instrumentarium op het gebied van de ruimtelijke ordening de juiste voorwaarden te creëren, en via het bestaande vergunningenstelsel daaraan uitvoering te geven. In dat kader is het eveneens noodzakelijk dat de gemeente op korte termijn nader beleid formuleert. De wetgever vraagt ook expliciet aan de verantwoordelijke bestuursorganen om beleidsregels op te stellen die recht doen aan de beginselen van rechtsgelijkheid en proportionaliteit.
Het veroorzakersprincipe zal in ieder geval van toepassing zijn:
in gebieden waar in het bestemmingsplan voorschriften met betrekking de omgang met archeologische waarden zijn opgenomen;
op alle MER-plichtige projecten;
bij bodemverstoringen waarop de ontgrondingenvergunning van toepassing is;
in door provincie aangewezen attentiegebieden;
in door het Rijk of de gemeente aangewezen wettelijk beschermde monumenten.
2.2 Rijkstaken
2.2.1 De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.
De Minister van OCenW is politiek verantwoordelijk voor de werking van het archeologisch bestel in Nederland. Binnen OCenW heeft de Directie Cultureel Erfgoed (DCE) de verantwoordelijkheid voor de implementatie van het Verdrag van Malta en het ontwikkelen van het archeologiebeleid. Sinds haar oprichting is de (voormalige) Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) de belangrijkste uitvoerder van het rijksbeleid. In oktober 2006 is de ROB gefuseerd met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ). Beide diensten gaan sindsdien verder onder de naam Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM). Met deze fusie is bestuurlijk en inhoudelijk vorm gegeven aan het nieuwe rijksbeleid waarin geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen zichtbare en onzichtbare cultuurhistorische waarden (het bodemarchief, gebouwde monumenten en landschap). Sinds januari 2009 heeft de rijksdienst een nieuwe naam: Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. De rijksdienst beheert namens de Minister de lijst van wettelijk beschermde archeologische monumenten.
Omdat kennis van de “archeologische voorraad” essentieel is voor een goede integratie van archeologische monumentenzorg in de ruimtelijke ordening, is het rijk verantwoordelijk voor het beheer van het landelijke archeologische informatiesysteem ARCHIS. Als kenniscentrum verricht de rijksdienst inmiddels geen uitvoerende (opgravings-)taken meer.
2.2.2 Het Rijk als bevoegd gezag
In het nieuwe bestel is de rol van bevoegd gezag op het gebied van de archeologische monumentenzorg gedecentraliseerd naar provinciaal en gemeentelijk niveau. Het rijk (i.c. de RACM) behoudt echter wel haar taak op het gebied van de bescherming van archeologische rijksmonumenten zoals geformuleerd in de Monumentenwet 1988. Dat wil zeggen dat voor elke wijziging c.q. bodemingreep op dergelijke terreinen het rijk optreedt als bevoegd gezag. Dit geldt ook in de volgende gevallen:
bij grote infrastructurele projecten die onder de Tracéwet vallen (bijv. de Randweg Eindhoven);
bij grote provincieoverschrijdende projecten (bijv. Ruimte voor de Rivieren van Rijkswaterstaat).
2.2.3 Kwaliteitsborging en inspectie
Om toezicht uit te oefenen op de kwaliteit van de archeologische uitvoering in het geliberaliseerde bestel werd in 2001 de Rijksinspectie voor de Archeologie (RIA; thans Erfgoedinspectie) ingesteld. Deze inspectie houdt namens de minister toezicht op de kwaliteit van de uitvoering van archeologisch onderzoek. Het Ministerie van OCW heeft daarom samen met de archeologische branche een kwaliteitssysteem opgezet dat berust op de volgende pijlers:
De Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA), waarin de werkprocessen beschreven staan.
De Erkenningsregeling voor bedrijven die archeologische werkzaamheden uitvoeren;
Het Beroepsregister is een product van de Nederlandse Vereniging van Archeologen (NVvA) en nog volop in ontwikkeling. Het is de bedoeling dat alle professionele archeologen die in Nederland werkzaam zijn in dit register worden opgenomen, met hun bijbehorende kwalificaties en specialisaties.