Indien een aanvraag om omgevingsvergunning wordt ingediend, dan zal er eerst aan het vigerende bestemmingsplan moeten worden getoetst alvorens er een afweging plaatsvindt om hiervan af te wijken.
De toetsing zal op de volgende wijze geschieden:
Beoordeling of de aangevraagde activiteit vergunningsvrij is
Bestemmingsplan:
toetsing aan de (bouw)mogelijkheiden van het vigerende
bestemmingsplan (rechtstreeks toelaatbaar);
toetsing aan de in het vigerende bestemmingsplan opgenomen afwijkingsmogelijkheden (binnenplans) en wijzigingsbevoegdheden.
Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° Wabo;
a. toetsing aan artikel 2.7 Bor jo artikel 4 bijlage II Bor;
b. toetsing aan het beleid voor toepassing van artikel 2.12, eerste
lid, onder a, onder 2° Wabo.
Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° Wabo:
a. een zelfstandige afweging van ruimtelijke en stedenbouwkundige aspecten en actueel beleid.
Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° Wabo betreft dus het gedeelte van de toetsing van de planologische mogelijkheden na de binnenplanse mogelijkheden en voordat een afweging wordt gemaakt of er een uitgebreide omgevingsvergunningprocedure met afwijking of herziening van het bestemmingsplan wordt toegepast.
Aanspreekpunt voor de omgevingsvergunning is de afdeling Dienstverlening, cluster Vergunningen.
Afhankelijk van aard en omvang van de aanvraag om omgevingsvergunning zal de casemanager moeten zorgen dat de gebruikelijke deeladviezen van andere medewerkers binnen de cluster, andere clusters of andere afdelingen.