**1..** Het is rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee aan te leggen in of aan een rietkraag of aan of op een in de artikelen 3.1.1 en 3.4.1 als zodanig aangewezen oever.
**2..** Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, is het de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee langer dan ten hoogste drie achtereenvolgende dagen of gedeelten daarvan op dezelfde plaats aan te leggen:
de belanghebbende op een vaartuig wordt geacht daarmee gedurende drie achtereenvolgende dagen, of gedeelten daarvan, op dezelfde plaats te hebben gelegen, indien dat vaartuig op die plaats door de havenmeester of andere bevoegde autoriteit wordt aangetroffen op enig tijdstip van de eerste van drie dagen en op enig tijdstip van de eerste dag na die drie dagen;
de rechthebbende op een vaartuig wordt geacht op dezelfde plaats te zijn gebleven als het vaartuig binnen een straal van vijfhonderd meter –hemelsbreed gemeten- gerekend vanaf de in het eerste lid bedoelde aanlegplaats wordt aangetroffen;
het is rechthebbende op een vaartuig verboden met enig vaartuig binnen vijf dagen nadat het is verplaatst op de in het tweede lid bedoelde plaats opnieuw aan te leggen.
**3..** Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen als het een in de artikelen 3.1.1 en 3.4.1 aangewezen water of oever betreft.
Hoofdstuk 2 › § 2.2
Artikel 2.2.2
Aanleggen
Onderdeel van Verordening havens en overige wateren gemeente Súdwest-Fryslan