1.1.
Verstrekking van een toegekende individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van de aanvrager.
1.2.
Verstrekking als persoonsgebonden budget vindt niet plaats indien:
de aanvrager in aanmerking komt voor een collectieve voorziening;
op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget.
reeds eerder op grond van deze of eerder vigerende Verordening maatschappelijke ondersteuning een persoonsgebonden budget is verstrekt en deze is ingetrokken en/of is teruggevorderd.
het op grond van het ziektebeeld te verwachten is dat de voorziening binnen de normale afschrijvingstermijn zal moeten worden vervangen.
1.3.
Verstrekking als persoonsgebonden budget bij woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelvoorzieningen vindt niet plaats indien uit het onderzoek duidelijk is geworden dat een voorziening niet langdurig adequaat is.
1.4.
Een sportrolstoel wordt uitsluitend verstrekt als persoonsgebonden budget. Het bedrag van dit persoonsgebonden budget bedraagt € 2.707,-- welk bedrag bedoeld is als tegemoetkoming in aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel voor een periode van drie jaar.
1.5
De verstrekking van het persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden wordt aan de zorgvrager verstrekt:
het vastgesteld budget wordt door het college gestort op rekening van de serviceorganisatie;
de serviceorganisatie betaalt per periode van 4 weken het vastgesteld budget bij wijze van voorschot aan de cliënt;
de cliënt overlegt vier wekelijks achteraf een verantwoording met vermelding van het aantal ingekochte uren, de naam, BSN van de zorgverlener aan de serviceorganisatie;
de serviceorganisatie verricht de controle conform de gemaakte afspraken in de overeenkomst tussen het college en de serviceorganisatie;
verantwoording die afwijkt van de geïndiceerde zorguren kan leiden tot nadere controles;
de eindafrekening voor verleende zorguren vindt plaats aan het eind van het kalenderjaar.
De verstrekking van het persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden kan met toestemming van de zorgvrager plaatsvinden volgens het zogenaamd trekkingsrecht:
het vastgesteld budget wordt door het college gestort op rekening van de serviceorganisatie;
de cliënt geeft middels een machtiging toestemming aan de serviceorganisatie het vastgesteld budget te beheren;
de cliënt overlegt vier wekelijks een verantwoording met vermelding van het aantal ingekochte uren, de naam, BSN en bankrekening van de zorgverlener aan de serviceorganisatie;
de serviceorganisatie verricht de controle conform de gemaakte afspraken in de overeenkomst tussen het college en de serviceorganisatie;
bij akkoordbevinding gaat de serviceorganisatie over tot betaling aan de zorgverlener;
Een verantwoording dan wel een eindafrekening voor de verleende zorguren aan het eind van het kalenderjaar vindt niet meer plaats.
1.6
De serviceorganisatie verricht desgevraagd in opdracht van het college intensieve controle op de verantwoording van het persoonsgebonden budget.
1.7
Een voorziening aangeschaft met een persoonsgebonden budget kan, zodra deze voorziening niet meer gebruikt wordt onder verrekening van eventueel ingebrachte eigen middelen, door het college worden opgehaald en voor herverstrekking beschikbaar worden gesteld.
1.8
Het persoonsgebonden budget wordt beëindigd en eventueel deels of geheel teruggevorderd inde volgende gevallen:
indien de cliënt zich niet houdt aan de verplichtingen van gebruik, verantwoording en administratie van het persoonsgebonden budget;
indien de cliënt de voortzetting van de voorziening wil omzetten in een verstrekking in natura;
op verzoek van de cliënt;
in die gevallen waarin dit artikel niet voorziet en waarin naar het oordeel van het college sprake is van een aan belanghebbende onrechtmatig uitgekeerd budget.
Hoofdstuk 1.
Artikel 1.
Regels rond verstrekking en verantwoording.
Onderdeel van Besluit maatschappelijke ondersteuning