1.Als de belanghebbende zich tegenover het college of zijn ambtenaren
zeer ernstig
misdraagt als bedoeld in artikel 18, eerste lid van de wet, wordt een
maatregel opgelegd
van 40% van de bijstandsnorm.
De duur van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt
vastgesteld op een maand.
Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan,
indien sprake is van
verbaal geweld, worden afgezien en worden volstaan met het geven van
een schriftelijke
waarschuwing, tenzij het verbale geweld plaatsvindt binnen een periode
van twee jaar te
rekenen vanaf de datum waarop eerder aan belanghebbende een
schriftelijke waarschuwing in verband met ernstige misdragingen is
gegeven.
4.In afwijking van het eerste lid kan een maatregel worden opgelegd van
100 procent van de
bijstandsnorm, indien binnen twaalf maanden na bekendmaking van een
besluit waarbij
een maatregel als bedoeld in het eerste lid, is opgelegd, sprake is van
eenzelfde als
verwijtbaar aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een
maatregel is
opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien met
uitzondering van
het gestelde in artikel 6, eerste lid, onder a.
HOOFDSTUK 4.
Artikel 15.
Zeer ernstige misdragingen
Onderdeel van Afstemmings- en fraudeverordening Wet werk en bijstand 2010