De aanvraag van een huisvestingsvergunning wordt ingediend bij burgemeester en wethouders door middel van een daartoe bestemd formulier en gaat vergezeld van de volgende bewijsstukken:
bij het bestaan van een maatschappelijke binding: uittreksels uit het persoonsregister of verklaringen van overige regiogemeenten waar men heeft gewoond, waaruit de maatschappelijke binding aan de regio blijkt.
bij ontbreken van een maatschappelijke binding: een werkgeversverklaring dan wel een inschrijvingsbewijs van de Kamer van Koophandel dan wel een verklaring van de onderwijsinstelling, waaruit een economische binding aan de regio blijkt.
als de aanvrager behoor tot de in artikel 5, lid van het besluit genoemde beschermde groepen: een stuk waaruit blijkt dat de verzoeker behoort tot de in artikel 5, lid van het besluit genoemde beschermde groepen.
bij ontbreken van zowel een maatschappelijke of economische binding en het niet behoren tot de beschermde groepen: bewijsstukken waaruit blijkt dat voor de woning een vruchteloze aanbiedingsprocedure is gevolgd;
bij een huurwoning:
een kopie van het huurcontract of een bereidverklaring van de verhuurder;
van alle leden van het huishouden, met uitzondering van inwonende kinderen, pleegkinderen en kleinkinderen jonger dan 27: een copie van de aanslag in de inkomstenbelasting over het voorgaande jaar, of: wanneer geen aanslag in de inkomstenbelasting is opgelegd: een IB-60 formulier of een copie van de laatste jaaropgave van werkgever(s) of uitkeringsinstantie(s): een recente uitkerings- of salarisstrook.
bij een koopwoning: een copie van de koopakte
Burgemeester en wethouders behandelen de aanvraag niet verder, indien de aanvrager niet aannemelijk kan maken dat hij, indien hij een huisvestingsvergunning krijgt, die woonruimte ook daadwerkelijk in gebruik zal kunnen nemen. Het voorgaande geldt niet voor de gevallen, genoemd in artikel 23, lid 3, van de wet (medehuurderschap).
Op of bij de huisvestingsvergunning vermelden burgemeester en wethouders de volgende informatie:
de mededeling dat binnen een in de vergunning genoemde termijn van de huisvestingsvergunning gebruik gemaakt moet worden. Deze termijn kan maximaal op 6 maanden gesteld worden;
de namen van de personen die als vergunninghouder worden aangemerkt;
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.3
Artikel 2.3.2
Aanvragen van een huisvestingsvergunning
Onderdeel van Huisvestingsverordening 1995