Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.5

Artikel 2.5.1

Verhouding inkomen - huurprijs

Onderdeel van Huisvestingsverordening 1995

1.. Het inkomen van het huishouden moet in een redelijke verhouding tot de huurprijs van de woonruimte staan. 2.. Burgemeester en wethouders hanteren de volgende regels voor de bepaling van de verhouding tussen de huurprijs en het daarbij ten hoogste toegestane inkomen: een huurprijs van maximaal f 600,-- per maand is passend voor: - een alleenstaande jonger dan 65 jaar met een inkomen van maximaal f 35.000,- - - een alleen staande van 65 jaar en ouder met een inkomen van maximaal f 29.000,-- - een meerpersoonshuishouden waarvan geen van de leden 65 jaar of ouder is met een maximaal huishoudensinkomen van f 46.000,-- - meerpersoonshuishoudens waarvan één of meer van de leden op 1 januari van dat jaar 65 jaar of ouder is c.q. zijn en de som van de inkomens ten hoogste f 39.000,-- per jaar bedraagt; - huishoudens met een hoger inkomen, indien er uit de hiervoor genoemde groepen geen gegadigden zijn. Het huishouden met het laagste inkomen krijgt dan de voorkeur een huurprijs van meer dan f 600,00 tot de huurprijsgrens is passend voor: - huishoudens met een belastbaar maandinkomen van circa vijfmaal de huurprijs - huishoudens met een hoger inkomen, indien er uit de hiervoor genoemde groep geen gegadigden zijn. Het huishouden met het laagste inkomen heeft daarbij steeds de voorkeur. 3.. De verhouding tussen inkomen en huur is niet passend indien de fiatteringsgrens voor toekenning van individuele huursubsidie wordt overschreden. 4.. De in lid 2 genoemde maximum huur- en inkomensbedragen zijn gebaseerd op de situatie per 1 juli 1994. Bij ministeriële regeling kunnen deze bedragen worden gewijzigd. Daarom dienen voor bovengenoemde bedragen worden gelezen. 5.. Voor de bepaling van het inkomen hanteren burgemeester en wethouders de volgende nadere uitvoeringsregel: als inkomen wordt het inkomen over het voorgaande kalenderjaar gehanteerd; als bewijsstuk hierbij geldt de daarop betrekking hebbende aanslag in de inkomstenbelasting; indien geen aanslag in de inkomstenbelasting is opgelegd, geldt als bewijsstuk de laatste jaaropgave van de werknemer(s) of uitkerende instantie(s) met betrekking tot het bruto-inkomen danwel een IB-60 formulier; indien uit de meest recente loon- en/of uitkeringsstroken blijkt dat het huidige jaarinkomen meer dan 15% afwijkt van het inkomen over het voorgaande kalenderjaar, geldt in afwijking van het onder a of b gestelde het huidige inkomen; indien alleen bewijsstukken van het meest recente bruto-inkomen worden gehanteerd, wordt het bruto-inkomen omgerekend tot belastbaar inkomen op de daarvoor gebruikelijke wijze; bij meerpersoonshuishoudens wordt ter berekening van het inkomen uitgegaan van de inkomens van alle leden van het betrokken huishouden tezamen. Negatieve inkomens en inkomens van inwonende kinderen, pleegkinderen en kleinkinderen tot 27 jaar blijven buiten beschouwing

Rechtspraak bij dit artikel