Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.5

Artikel 2.5.2

Bezettingsnorm

Onderdeel van Huisvestingsverordening 1995

1.. De omvang van het huishouden moet passen bij de grootte van de woonruimte. 2.. Burgemeester en wethouders hanteren de volgende uitgangspunten voor de bepaling van de verhouding tussen het aantal leden van het huishouden en het daarbij ten hoogste toegestane aantal kamers van de woonruimte: Omvang huishouden kameraantal Passend 1 persoon van 18 t/m 29 jaar 1- of 2-kamerwoning 1 persoon van 30 jaar en ouder 2- of 3-kamerwoning 2 personen 4- of 5-kamerwoning 3 personen 4-kamerwoning 4, 5 of 6 personen 4- of 5-kamerwoning huishouden van 7 of meer personen 5- of 6-kamerwoning 3.. Indien er voor een bepaalde woonruimte geen gegadigden zijn met een bij het kameraantal passende huishoudensomvang, kan de woning ook aan huishoudens uit een naastbij gelegen categorie worden aangeboden.

Rechtspraak bij dit artikel