Een ondersteuningsbehoevende kan in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening, in de vorm van een natura-verstrekking, een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel. Van een beperking is geen sprake bij een incidenteel verplaatsingsprobleem. De ondersteuningsbehoevende moet in staat worden gesteld zijn wezenlijke sociale contacten te onderhouden, boodschappen te kunnen doen en deel te kunnen nemen aan sociale en culturele activiteiten. In de verordening wordt gesproken over verplaatsingen in het kader van het ‘leven van alledag’ in de directe woon- en leefomgeving (art. 5.5 VMO).
Aspecten die bij de beoordeling van de aanvraag voor een eventuele selectie van een verplaatsingsmiddel een rol spelen zijn:
de ondervonden beperkingen;
het verplaatsingsmotief van de ondersteuningsbehoevende;
de verplaatsingsbestemming;
de frequentie van verplaatsen;
de wijze van verplaatsen.
Bij bovengenoemde afwegingen speelt ook de leeftijd van de ondersteuningsbehoevende een rol. Kinderen en jong volwassenen hebben een ander verplaatsingsgedrag en –behoefte dan ouderen. Bij de keuze van de voorzieningen dient hier ook rekening mee gehouden te worden.
Naast het vervoer in de directe woon- en leefomgeving kan er sprake zijn van weekend-vervoer voor bewoners van een AWBZ erkende instelling. De verplichting van de gemeente om in het kader van de Wmo een compensatie te bieden is niet anders dan de zorgplicht die de gemeente had onder de Wvg.
Een vervoersvoorziening in natura of pgb wordt niet verstrekt indien de ondersteuningsbehoevende zich kan verplaatsen met een algemeen gebruikelijk middel. Als algemeen gebruikelijk wordt in ieder geval beschouwd:
spartamet;
elektrisch aangedreven fiets;
fiets met trapondersteuning;
automatische transmissie in een auto;
bromfiets- scooter;
ligfiets
een auto indien het inkomen van de ondersteuningsbehoevende meer bedraagt dan 1,5 keer het norminkomen
Of een middel ook algemeen gebruikelijk is voor de ondersteuningsbehoevende kan op twee gronden worden beoordeeld: het inkomen en de leeftijd. Een fiets met trapondersteuning is bijvoorbeeld niet algemeen gebruikelijk voor een jong volwassene en ook niet voor iemand die al jarenlang op of net boven (110%) bijstandsniveau leeft. Een ligfiets is b.v. niet algemeen gebruikelijk voor oudere mensen.
Een ondersteuningsbehoevende kan voor een vervoersvoorziening in aanmerking worden gebracht, wanneer aantoonbare beperkingen het gebruik van het openbaar vervoer onmogelijk maken (art. 5.2 onder a VMO).
Aspecten die hierbij een rol spelen zijn:
de mogelijkheid van de ondersteuningsbehoevende om binnen redelijke tijd een afstand van circa 800 meter af te leggen;
belemmeringen bij het vervoer zelf, zoals het in- en uitstappen, het zitten, het zich staande kunnen houden bij het wegrijden of afremmen.
Indien niet binnen een straal van 800 meter van de woning van de ondersteuningsbehoevende een bushalte is, is dat geen reden om c.v.v. toe te kennen. De plaats waar iemand woont is immers een eigen keuze.
Indien niet binnen een straal van 800 meter van de woning van de ondersteuningsbehoevende een bushalte is, is dat geen reden om c.v.v. toe te kennen. De plaats waar iemand woont is immers een eigen keuze.
Kan een ondersteuningsbehoevende geen gebruik maken van het openbaar vervoer, dan kan hij/zij in aanmerking komen voor vervoersvoorzieningen. Uitzonderingen zijn:
woon-werkverkeer (woon-werkverkeer wordt geregeld door het UWV, ook als het gaat om de combinatie van woon-werkverkeer en leefvervoervoorziening);
ziekenvervoer (van en naar medische behandelaars).
leerlingenvervoer.
Verblijf in een AWBZ instelling.
Collectief vraagafhankelijk vervoer
Op grond van de verordening wordt uitgegaan van het primaat van collectief vervoer (art. 5.2 VMO). Het collectief vraagafhankelijk vervoer is een natura verstrekking waarvoor geen pgb, als alternatief, mogelijk is. Als deelname aan het c.v.v. niet mogelijk, dan wel onvoldoende is kunnen andere vervoersvoorzieningen worden afgewogen.
Verplaatsing in de directe woonomgeving
Indien de ondersteuningsbehoevende zich ook niet in zijn directe woonomgeving kan verplaatsen ( art. 5.4 VMO), gelet op zijn beperkte loopafstand (ongeveer 500 meter), en geen mogelijkheid heeft zich met een algemeen gebruikelijk middel te verplaatsen( b.v. met een auto, een fiets, een elektrische fiets, spartamet of andere loopmiddelen) kan ook een vervoersvoorziening voor de directe woonomgeving worden toegekend. Bij de verplaatsing in de directe woonomgeving moet ook beoordeeld worden of de ondersteuningsbehoevende binnen zijn woonkern sociale contacten onderhoudt of voorzieningen/winkels bezoekt die net buiten zijn loopafstand liggen en waarvoor het cvv geen afdoende oplossing biedt. Het collectief vervoersysteem is immers minder geschikt voor de hele korte afstanden. Het kan onder meer gaan om een gesloten buitenwagen, open elektrische buitenwagen (elektrische (buiten)rolstoel en scootermobiel) of een ander verplaatsingsmiddel (b.v. een driewielfiets). Vervoersgerechtigden voor de deeltaxi met een loopafstand tot 500 meter én zonder een van de laatstgenoemde voorzieningen, krijgen een financiële tegemoetkoming van € 125,00 per jaar. Als het recht op deze vervoersvoorziening gedurende het jaar ontstaat, wordt een evenredig deel betaald. Houdt het recht gedurende het jaar op, dan wordt niet teruggevorderd.
Het doel van de vervoersvoorziening is het leveren van een bijdrage in de vervoersbehoefte van de ondersteuningsbehoevende. Niet in alle vervoersbehoeften of vervoerskosten hoeft te worden voorzien. De gemeente compenseert verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag. Wat het leven van alledag is, is van persoon tot persoon verschillend. Er moet dus sprake zijn van regelmatige verplaatsingen, niet van incidentele bezoeken. Daarbij kan er van worden uitgegaan dat voor bewoners van een AWBZ-instelling in een aanzienlijk gedeelte van hun bestemmingen in het kader van het leven van alledag is voorzien. Bij het onderzoek dient dit bekeken te worden. In het kader van het collectief vervoersysteem is de woon- en leefomgeving afgebakend door een aantal openbaar vervoerszones.
Kosten voor bovenregionaal vervoer worden slechts vergoed indien de ondersteuningsbehoevende geen gebruik kan maken van het hiervoor bestemde landelijk systeem (Valys) en het vervoer noodzakelijk is omdat het gaat om bezoek aan een wezenlijk contact buiten de directe woon-en leefomgeving van de ondersteuningsbehoevende dat alleen onderhouden kan worden door persoonlijk bezoek van de ondersteuningsbehoevende en wanneer het wegvallen van dat contact zou leiden tot vereenzaming. De hoogte van de tegemoetkoming bedraagt het aantal kilometers maal het bedrag dat de ziektekostenverzekeraar hanteert voor ziekenvervoer, eigen auto, niet medisch noodzakelijk (voor 2008: € 0,25 per kilometer). Het betreft de gemiddelde variabele autokosten.
De vervoersvoorzieningen op grond van de Verordening kan bestaan uit:
een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer;
een voorziening in natura;
een persoonsgebonden budget;
financiële tegemoetkoming
Het is mogelijk een combinatie van voorzieningen te verstrekken, tenzij anders vemeld (art.. 5.1 VMO)