In artikel 2.11 van het activiteitenbesluit is aangegeven waar een eindsituatieonderzoek aan moet voldoen. Het eindsituatieonderzoek dient overeenkomstig de daarvoor bedoelde protocollen teworden uitgevoerd. Ook als dit bij het nulsituatieonderzoek niet het geval is geweest.Als bij het nulsituatieonderzoek niet onder de bodembeschermende voorziening is onderzocht, dient bij het eindsituatieonderzoek additioneel onderzoek binnen de grenzen van de bodembeschermende voorziening en/of vloeistofdichte vloer uitgevoerd te worden tenzij valide argumenten bestaan om hiervan af te zien.
Het vijfde lid van het genoemde artikel stelt dat:
Indien uit het rapport, bedoeld in het derde lid, blijkt dat de bodem als gevolg van de activiteiten in de inrichting is aangetast of verontreinigd, draagt degene die de inrichting drijft er zorg voor dat binnen zes maanden na toezending van dat rapport aan het bevoegd gezag de bodemkwaliteit is hersteld tot
de situatie bij oprichting of verandering van de inrichting voor zover die situatie is vastgelegd ineen rapport;
de achtergrondwaarden als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit indien er geen rapport als bedoeld in onderdeel a beschikbaar is*.
* Indien er geen nulsituatieonderzoek is uitgevoerd, wordt getoetst aan de achtergrondwaarden voor grond (Regeling bodemkwaliteit) en de streefwaarden voor grondwater (Circulaire bodemsanering) of aan de achtergrondwaarden zoals vastgesteld in de gemeentelijke Bodemkwaliteitskaart.
Uitgangspunt is dat de ontstane verontreiniging zoveel mogelijk ongedaan moet worden gemaakt. Herstel vindt plaats zover dat met de best beschikbare technieken redelijkerwijs haalbaar is.In die gevallen waarbij de genoemde terugsaneerwaarden om bepaalde redenen (onevenredige kosten, beperkingen van de best beschikbare technieken en specifieke omstandigheden die (volledig) herstel onmogelijk maken) niet haalbaar zijn kan na overleg met het team Bodem hiervan worden afgeweken en naar een alternatieve oplossing worden gezocht.
Van toename van verontreiniging, zoals bedoeld in de definitie van verwaarloosbaar risico, is sprake als tijdens het eindsituatieonderzoek de gehalten en/of concentraties significant zijn verhoogd ten opzichte van het nulsituatieonderzoek of de als referentie gehanteerde achtergrond- en streefwaarden.
Afhankelijk van o.a. de verhouding tussen de streef- en tussenwaarden voor de stoffen en het feit of voor de betreffende parameters al dan niet (locale) achtergrondwaarden of streefwaarden zijn vastgesteld, wordt er bij de beoordeling van de eindsituatie voor een aantal stofgroepen een onderscheid gemaakt in de toegestane overschrijdingen. Om te kunnen oordelen of er door de inrichtinghouder al dan niet tot aanvullende actie moet worden overgegaan is een toetsingstabel opgesteld (zie bijlage 8).
8
Artikel 8.5
Beoordeling eindsituatie onderzoek en terugsaneerwaarden
Onderdeel van Beleidsregels bodem