Naar hoofdinhoud

8

Artikel 8.4

Onderzoek ter plaatse van vloeistofdichte vloeren

Onderdeel van Beleidsregels bodem

In het Activiteitenbesluit is expliciet aangegeven dat een vloeistofdichte vloer of verharding ten behoeve van bodemonderzoek niet doorboord of anderszins aangetast mag worden (artikel 2.11 lid 9). Wanneer sprake is van een vloeistofdichte vloer mogen de boringen daarom naast de betreffende vloer worden geplaatst. Bij grotere vloeren waarbij de bodembedreigende bron op grote afstand van de rand van de vloer ligt en de voorgaande werkwijze geen representatief beeld geeft van de bodemkwaliteit ter plaatse van de bron, is een bodemonderzoek in een dergelijk geval niet zinvol. In het geval de afstand van de bron tot aan de rand van de vloer meer bedraagt dan 3 meter (bij immobiele stoffen) of benedenstrooms meer dan 10 meter (mobiele stoffen*) is het verrichten van een nulsituatie onderzoek in beginsel niet noodzakelijk. * Deze uitzondering geldt niet voor mobiele stoffen met een grotere dichtheid dan 1.020 kg / dm3. Voor deze stoffen geldt een maximale afstand van 5 meter tussen bron en monsterpunt. Als referentie kunnen dan de achtergrondwaarden (Regeling bodemkwaliteit) en streefwaarden (Circulaire bodemsanering) worden gehanteerd. Zijn bij de betreffende activiteit stoffen betrokken die niet genormeerd zijn, dan geldt de rapportagegrens of detectiegrens van de analysemethodiek voor de betrokken stoffen. De vergunninghouder kan eventueel met behulp van de door de gemeente vastgestelde Bodemkwaliteitskaart en/of een historisch onderzoek conform de NEN 5725 o.b.v. reeds verrichtte bodemonderzoeken beargumenteren dat er op de bedrijfslocaties sprake is van locaal hogere achtergrondwaarden. De kans bestaat dat de werkelijke kwaliteit van de ondergrond plaatselijk afwijkt en slechter is van wat op basis van historisch onderzoek en/ of de bodemkwaliteitskaart als nulsituatie wordt vastgelegd. Dit heeft dan tot gevolg dat na het eindsituatieonderzoek onterecht de conclusie wordt getrokken dat de bodemkwaliteit gedurende de bedrijfsvoering is verslechterd en dat op kosten van de inrichtinghouder herstel van de bodem moet plaatsvinden. Het is aan de inrichtinghouder om dit risico uit te sluiten door de keuze te maken om ten behoeve van het vastleggen van de nulsituatie toch de vloeistofdichte vloer of verharding te doorboren om zodoende een representatief beeld van de kwaliteit ter plaatse te verkrijgen. Uiteraard zal de vloer na het onderzoek moeten worden hersteld en herkeurd of voorzien moeten worden van een gecertificeerde afdichtingsplug om zodoende als geheel als vloeistofdicht te kunnen worden aangemerkt. Ook is het een optie om op basis van historisch onderzoek en/of de Bkk de nulsituatie vast te stellen en dit te verifiëren aan de hand van onderzoek rondom de vloer, ongeacht de afstand tot aan de bron. Bij aanschrijvingen zal de inrichtinghouder omtrent het voorgaande risico worden geïnformeerd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel