Aan de ambtenaar wiens bezoldiging, als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage als bedoeld in artikel 3:3:0:1, 3:3:1:1 en 3:3:2:1 een blijvende verlaging ondergaat, die tenminste 3% bedraagt van de som van het salaris en de toelagen, wordt door het college een aflopende toelage toegekend. Deze aflopende toelage wordt alleen toegekend indien de ambtenaar de toelage als bedoeld in artikel 3:3:0:1, 3:3:1:1 en 3:3:2:1, direct voorafgaande aan de beëindiging of vermindering ervan gedurende ten minste 2 jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft ontvangen.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt aan de ambtenaar van 55 jaar of ouder wiens salaris als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage als bedoeld in artikel 3:3:0:1, 3:3:1:1 en 3:3:2:1 een blijvende verlaging ondergaat, een blijvende toelage met dezelfde hoogte als de oorspronkelijke toelage toegekend, indien de ambtenaar die toelage direct voorafgaande aan het tijdstip van de hiervoor genoemde beëindiging of vermindering ervan gedurende tenminste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.
De in het eerste lid bedoelde aflopende toelage gaat, wanneer de ambtenaar de leeftijd van 55 jaar bereikt en hij onmiddellijk voor de aanvang van die aflopende toelage gedurende tenminste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking een toelage als bedoeld in artikel 3:3:0:1. 3:3:1:1 en/of 3:3:2:1 heeft ontvangen, over in een blijvende toelage als bedoeld in het vorige lid, waarbij de hoogte afhangt van het dan geldende percentage als bedoeld in lid 6.
Voor de toepassing van de hiervoor genoemde leden wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden.
De tijdsduur van de aflopende toelage wordt vastgesteld op een kwart van de tijd waarin de toelage als bedoeld in artikel 3:3:0:1, 3:3:1:1 en 3:3:2:1 is genoten, met een maximum van drie jaar.
De tijdsduur van de aflopende toelage wordt verdeeld in drie gelijke perioden. De toelage bedraagt in deze drie perioden respectievelijk 75%, 50% en 25% van de blijvende verlaging.