Aan de medewerker wiens bezoldiging, als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage als bedoeld in artikel 20, 21 en 22 een blijvende verlaging ondergaat, wordt door burgemeester en wethouders een aflopende toelage toegekend, indien:
de blijvende verlaging tenminste 3% bedraagt van de som van het salaris en eventueel de toelage als bedoeld in artikel 16 van deze regeling; en
de medewerker de toelage direct voorafgaand aan het tijdstip van de vermindering of beëindiging gedurende tenminste twee jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, wordt aan de ambtenaar van 55 jaar of ouder, wiens bezoldiging, als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage als bedoeld in artikel 20, 21 en 22, een blijvende verlaging ondergaat, een blijvende toelage toegekend, indien de medewerker voornoemde toelage, direct voorafgaande aan het tijdstip van beëindiging of vermindering ervan, gedurende tenminste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.
De in het eerste lid bedoelde aflopende toelage gaat, wanneer de ambtenaar de leeftijd van 55 jaar bereikt en hij onmiddellijk voor de aanvang van die toelage, gedurende ten minste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking een toelage als bedoeld in artikel 20, 21 en 22 heeft genoten, over in een blijvende toelage als bedoeld in het vorige lid.
Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden.
De aflopende toelage verloopt volgens een stapsgewijze afbouw en wel als volgt; het eerste jaar 75%, het tweede jaar 50%, het derde jaar 25% en het vierde jaar niets meer.