De verordening noemt in artikel 8 drie mogelijke voorzieningen:
a. Een algemene voorziening, waaronder algemene hulp bij het huishouden;
b. Hulp bij het huishouden in natura;
c. Een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het huishouden.
Algemene hulp bij het huishouden is bedoeld voor situaties waar tijdelijk, voor een beperkte periode, hulp nodig is om al dan niet medisch vaststaande redenen. Het is de bedoeling dat snel, zonder aanvraagprocedure en zonder eigen bijdrage, hulp ingezet kan worden.
Bij het vaststellen van deze beleidsregels is deze vorm van hulp nog onvoldoende ontwikkeld om als primaat te kunnen stellen. De algemene voorziening wordt daarom als “niet aanwezig” beschouwd. Deze voorziening kan in een later stadium wel ontwikkeld en ingezet worden.
Onder hulp in natura wordt verstaan dat de resultaatsverplichting leidt tot het inschakelen van een instelling die de noodzakelijke werkzaamheden voor zijn rekening neemt.
Onder een persoonsgebonden budget wordt verstaan dat om het resultaat te bereiken door de gemeente een geldbedrag ter beschikking wordt gesteld met welk bedrag betrokkene zelf iemand contracteert om de werkzaamheden te verrichten. Daarbij bestaat de keuze uit een tweetal mogelijkheden het persoonsgebonden budget in te vullen: men kan kiezen tussen een situatie waarbij er een verhouding opdrachtgever – opdrachtnemer ontstaat (waarbij de helpende niet in loondienst komt) of een situatie die in de Wmo omschreven is als “een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid van de Wet op de loonbelasting 1964, waarbij sprake is van de Regeling diensten aan huis. Wat betreft deze beide keuzemogelijkheden dient de gemeente betrokkenen uitgebreid te informeren.
Om te beoordelen of een aanvraag om hulp bij het huishouden gehonoreerd kan worden wordt een onderzoek verricht naar de volgende vragen:
a. Wat is de reden dat betrokkene het huishoudelijk werk geheel of gedeeltelijk niet zelf kan verrichten?
b. Is deze reden (medisch/psychisch) te objectiveren?
c. Zijn er wettelijk voorliggende voorzieningen om het probleem op te lossen?
d. Heeft betrokkene zelf nog (andere) mogelijkheden om het probleem op te lossen?
e. Zijn er algemeen gebruikelijke voorzieningen die het probleem (deels) kunnen oplossen?
f. Is er sprake van gebruikelijke zorg (zie onder 3.3)?
Als na beantwoording van deze vragen het probleem blijft bestaan zal het de taak van de gemeente zijn het probleem op te lossen.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.2
Welke voorzieningen zijn mogelijk?
Onderdeel van Beleidsregels individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente De Wolden 2011