Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.3

Gebruikelijke zorg en omvang hulp bij het huishouden.

Onderdeel van Beleidsregels individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente De Wolden 2011

Artikel 10 van de verordening bepaalt dat als tot de “leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten” men niet in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden. Deze beperking heet “gebruikelijke zorg” en is afkomstig uit de regels zoals die ook onder de AWBZ al werden gehanteerd. Bij de Wmo heeft de gemeente een resultaatsverplichting, dat wil zeggen dat het resultaat primair van belang is. Bij gebruikelijke zorg gaat het om een probleem dat is ontstaan doordat degene die gewend is voor het huishouden te zorgen dit al dan niet tijdelijk niet meer kan doen. De eerste stap bij het zoeken van een oplossing is dan om te kijken naar de huisgenoten van degene die het huishouden normaalgesproken doet. Zijn die huisgenoten in staat het huishoudelijk werk, bijvoorbeeld door een herverdeling van taken, over te nemen? Dat zal de eerste vraag zijn in dit soort situaties, omdat het in Nederland nu eenmaal zo is dat de gezamenlijke huisgenoten verantwoordelijk zijn voor het huishouden. Dat geldt voor gezinnen met kinderen, al dan niet in de situatie dat beide ouders werken. Maar het geldt ook voor een gezin met een gehandicapt gezinslid die het huishoudelijk werk niet meer kan doen. Er zal dus allereerst bekeken worden of een herverdeling van taken mogelijk is. Daarbij is uitgangspunt dat iedereen die ouder is dan 18 jaar in staat is huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Onder de 18 jaar wordt men wel verondersteld de eigen kamer bij te houden en hand- en spandiensten te verrichten zoals het helpen bij het tafeldekken, de afwas, het doen van beperkte boodschappen enz. De leeftijd van 18 jaar is gekozen als grensleeftijd omdat veel jongeren ouder dan 18 jaar zelfstandig gaan wonen en dan ook daadwerkelijk een eigen huishouden moeten runnen. Met al deze zaken kan rekening worden gehouden als beoordeeld moet worden of huisgenoten het huishoudelijk werk kunnen overnemen. Daarbij is het hebben van een baan, het doen van een studie, veel tijd besteden aan hobby’s of vrijwilligerswerk of het hebben van bijbaantjes naast een studie in principe geen reden om geen gebruikelijke zorg te hoeven doen: immers: iedereen, alleenstaand, samenwonend, gehuwd, met of zonder werk, met of zonder veel activiteiten in zijn of haar vrije tijd is verantwoordelijk voor het gezamenlijke huishouden. Hier vormt een handicap geen uitzondering op. Het is immers niet onredelijk te vragen keuzen te maken om het huishouden draaiende te houden. De gemeente zal hierbij moeten beoordelen of het vragen van deze keuzen opwegen tegen het gegeven dat het inzetten van hulp de gemeenschap geld kost, waarbij niet alleen naar de individuele situatie gekeken zal worden maar ook naar de consequenties van een dergelijk beleid voor alle aanvragers in een gelijke situatie. In elk individuele situatie zal bekeken moeten worden of ook in die situatie het redelijk is gebruikelijke zorg te veronderstellen. Maar uitzonderingen zullen niet zo snel gemaakt worden, tenzij het gaat om huisgenoten die ook echt de gebruikelijke zorg niet waar kunnen maken omdat zij dagen achtereen afwezig zijn. Bijvoorbeeld voor studie (iemand die 4 dagen per week afwezig is omdat hij op kamers verblijft vanwege zijn studie) of voor werk (een internationaal chauffeur die op maandag verstrekt en op vrijdag weer terugkomt. Het gaat uitdrukkelijk alleen om personen die “niet toevallig” bij elkaar wonen: zoals een huis met studenten of iemand die een kamer huurt. In de eerste situatie is ieder verantwoordelijk voor zijn eigen deel en zijn eigen aandeel, in de tweede situatie hoort het huishoudelijk werk (al dan niet deels) bij het huren van de kamer. Uitzonderingen zijn er ook. Bijvoorbeeld in de situatie van een klooster. Daar is weliswaar bewust gekozen voor het bij elkaar gaan wonen, maar is ook sprake van een taakverdeling (er worden taken voor elkaar verricht). Hierbij moet dus vooral gekeken worden wat aan eigen taken aan eigen ruimte niet meer gedaan kan worden. Bij mensen die zijn opgenomen in een intramurale AWBZ-instelling hoort het huishoudelijk werk nadrukkelijk bij het pakket dat door de AWBZ wordt geboden, zodat hier geen ruimte meer is voor huishoudelijke hulp op basis van de Wmo. Maar aanleunwoningen die men van een woningbouwvereniging huurt en waar men hulp ontvangt vanuit een nabijgelegen AWBZinstelling vallen wat huishoudelijk werk betreft niet onder de AWBZ en dus onder de Wmo. Bewoners van particuliere huizen die hulp bij het huishouden bieden omdat dit contractueel zo is geregeld (vaak naast het leveren van zorg) kunnen wel voor een indicatie in aanmerking komen, met welke indicatie en een daaruit volgend persoonsgebonden budget zij het geboden huishoudelijk werk kunnen betalen. Als er bij een beoordeling sprake blijkt te zijn van gebruikelijke zorg en er geen situatie bestaat dat hier een uitzondering op gemaakt moet worden, is er een oplossing voorhanden in de vorm van het herverdelen van taken en zal geen hulp geboden worden op basis van de Wmo. Als er geen gebruikelijke zorg mogelijk is, bijvoorbeeld omdat het gaat om een alleenstaande, of omdat de huisgenoten daar zelf ook niet toe in staat zijn vanwege lichamelijke problemen, moet bepaald worden hoeveel hulp er noodzakelijk is om de taken over te nemen of te ondersteunen die niet verricht kunnen worden. Ook hierbij is van belang dat het in de Wmo gaat om het resultaat: er moet een schoon huis zijn, er moet een maaltijd zijn, de was moet gedaan worden, enz. Onder de AWBZ is hierbij altijd gewerkt met normtijden. Deze normtijden zijn bij overgang van de AWBZ naar de Wmo ook overgegaan naar de Wmo. De normtijden zijn tot stand gekomen door overleg tussen de instellingen voor thuiszorg en de indicatieorganen. Daarbij wordt uitgegaan van individuele werkenden. Deze normtijden zijn uitgangspunt voor het bepalen van het aantal uren hulp dat men krijgt bij hulp in natura of bij het bedrag wat men ontvangt bij een pgb, te besteden aan een individueel in te huren (alfa)hulp. Maar er zijn modernere middelen waardoor schoonmaken anders kan gebeuren. Daarbij zal altijd tellen: niet het aantal uren dat is geïndiceerd maar of het te bereiken doel: een schoon huis, mogelijk maaltijden, een was die gedaan is enz. bereikt kan worden. Daarbij worden de maatstaven aangelegd zoals die op de dag van vandaag in Nederland gelden. Met andere woorden: was het vroeger normaal dat elke dag het toilet werd schoongemaakt en dat elke dag de stofzuiger door het huis ging, tegenwoordig is dat niet meer zo en daarom wordt van huidige maatstaf uitgegaan. Burgemeester en wethouders hebben vastgesteld dat het protocol “Gebruikelijke zorg” dat door het CIZ is ontwikkeld, wordt gehanteerd als geldende, gemeentelijke beleidsregel om te kunnen vaststellen in hoeverre rekening gehouden wordt met gebruikelijke zorg bij het vaststellen van een aanspraak op een voorziening voor hulp bij het huishouden.

Rechtspraak bij dit artikel