**1.** Het verbod, gesteld in artikel 20, eerste lid, onder a en b, en tweede lid, geldt niet voor:
boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening;
het oprichten en hebben van boorputten voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van een noodvoorziening;
bronbemalingen;
het onderzoeken of saneren van de bodem in het kader van de Wet milieubeheer of de Wet bodembescherming;
sonderingen;
ontgrondingen in het kader van de Ontgrondingenwet;
grondwerken voor zover bij verwijdering van de grond het bodemprofiel zodanig wordt hersteld dat tenminste dezelfde beschermende werking van de bodem ontstaat als voor de grondwerken;
funderingswerken voor zover daarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van:
grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet;
in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaat¬selijk verbreed is en grondverdringend wordt ingebracht;
schroefpalen.
**2.** Het verbod, gesteld in artikel 20, geldt niet voor een open bodemenergiesysteem, als:
de boorputten niet dieper zijn gelegen dan in artikel 20, eerste en tweede lid, is aangegeven; en
hiervoor vergunning kan worden verleend op grond van de Waterwet.
**3.** Het verbod, gesteld in artikel 20, geldt niet voor een gesloten bodemenergiesysteem, als:
de boorputten niet dieper zijn gelegen dan in artikel 20, eerste en tweede lid, is aangegeven;
de temperatuur van de circulatievloeistof in de ondergrondse buis niet hoger is dan 30º celsius en niet lager dan 6º celsius;
de ISSO-publicatie 73, Ontwerp en uitvoering van verticale bodemwarmtewisselaars, in acht wordt genomen;
de ISSO-publicatie 73 bij de installatie van horizontale bodemwarmtewisselaars in acht wordt genomen;
de koelvloeistof in de buis uitsluitend leidingwater, monopropyleen glycol of een stof met een aantoonbare vergelijkbare biologische afbreekbaarheid bevat.
**4.** Het verbod, gesteld in artikel 20, eerste lid, onder c, geldt niet voor een innovatief duurzaamheidsproject als:
aannemelijk is gemaakt dat een significante bijdrage geleverd wordt aan het verbeteren van de grondwaterkwaliteit door een koppeling te realiseren tussen duurzaam gebruik van bodemenergie en de gekozen saneringsaanpak; en
hiervoor vergunning kan worden verleend op grond van de Waterwet.
**5.** Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 21
Vrijstellingen artikel 20
Onderdeel van Besluit van Provinciale Staten van 4 februari 2013 houdende regels ter bescherming van het milieu (PMV)