**1.** De verboden, gesteld in artikel 7, eerste lid, onder a en b, gelden niet voor:
het oprichten en hebben van boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening;
het oprichten en hebben van boorputten voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van een noodvoorziening;
aardgasleidingen;
het toepassen van strooizout ten behoeve van de gladheidbestrijding;
stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoer¬tui¬gen, motorwerktuigen of bromfietsen;
het vervoeren van stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deug¬de¬lijke gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat;
het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden stoffen, niet zijnde gewasbe-schermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen, die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig zijn van nor¬maal gebruik bij die woningen of gebouwen, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden;
het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen als gevolg van bewei¬ding;
het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van water¬gangen, over het aangrenzend perceel met inachtneming van het Besluit bodem¬kwaliteit;
het onderzoeken en saneren van de bodem met inachtneming van de Wet bodembe-scherming en de Wet milieubeheer;
het aanleggen en in stand houden van rioleringen door het waterleidingkanaal van het waterwingebied Bethunepolder, die aansluiten op bestaande rioleringen.
**2.** De verboden, gesteld in artikel 7, gelden niet voor de eigenaar of exploitant van een drinkwaterbedrijf, als de activiteit noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 8