De Monumentenwet 1988 (in werking getreden op 1 januari 2009) verplicht de raad om, bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1, onderscheidenlijk artikel 3.38, van de Wet ruimtelijke ordening, rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Het uitgangspunt van deze wet (voortvloeiend uit het Verdrag van Malta) en daarmee ook van deze verordening, is daarom primair dat in het bestemmingsplan wordt vastgelegd waar zich archeologische waarden in de bodem kunnen bevinden. Dit artikel voorziet in de behoefte aan een overgangsperiode tot het moment dat een bestemmingplan ´Malta-proof´ is.
Lid 1
Het eerste lid van artikel 14 biedt bescherming door het opgenomen verbod om dieper dan 40 cm de bodem te verstoren in een archeologisch verwachtingsgebied. De minimale diepte van 40 cm is opgenomen omdat er over het algemeen van mag worden uitgegaan dat de bovenste laag van de bodem door de jaren heen al dusdanig verstoord is, dat de kans op aanwezigheid van archeologische waarden zeer klein is.
Lid 2
In het tweede lid van artikel 14 wordt een vijftal uitzonderingsmogelijkheden gegeven op het eerste lid. Met betrekking tot onderdeel a geldt dat op de archeologische waardekaart een driedeling wordt gehanteerd wat betreft de mate waarin archeologische waarden in de bodem kunnen worden aangetroffen. Deze archeologische verwachtingswaarden zijn vervolgens gekoppeld aan een aantal m2 te verstoren verwachtingsgebied. Hoe lager de verwachte archeologische waarden, hoe groter het aantal m2 kan zijn waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden. Bij een hoge verwachtingswaarde zal het aantal m2 waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden echter aanzienlijk kleiner zijn. Bij de bepaling van deze grenzen is rekening gehouden met de vraag wat er binnen het verwachtingsgebied aan archeologische sporen kan worden aangetroffen. De gehanteerde oppervlakte is dusdanig dat voldoende informatie verkregen kan worden over de aard, het karakter en de datering van de (mogelijk) in de bodem aan te treffen archeologische sporen.
Onderdeel b ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel up-to-date is als bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel. In dat geval biedt het bestemmingplan voldoende bescherming aan de in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Initiatieven voor verstoring zullen alleen mogelijk zijn in het geval wordt voldaan aan de aan het bestemmingsplan gekoppelde bepalingen gericht op de bescherming van archeologische waarden.
In onderdeel c wordt een aantal ontheffingsmogelijkheden genoemd uit de Wet ruimtelijke ordening. Dergelijke besluiten kunnen tot stand komen doordat bij de ontheffingsaanvraag voorschriften kunnen worden opgenomen met betrekking tot archeologische waarden in het gebied waarvoor de ontheffing wordt aangevraagd. Aan de aanvraag kan dan de voorwaarde worden verbonden dat een rapportage wordt overlegd waarin de archeologische waarden van het te verstoren terrein in voldoende mate is vastgesteld. Een dergelijke uitzondering wordt feitelijk ook in onderdeel e gegeven, maar ziet dan ook op situaties buiten de aanvraag van een ontheffing. Dit rapport kan ook in de nadere regels onder d. worden gevraagd en komt overeen met de mogelijkheid in artikel 39, lid 2, van de Monumentenwet 1988 (in werking getreden op 1 januari 2009) in geval van een bestemmingsplan in de geest van het Verdrag van Malta.
Als laatste wordt in het rijtje het onderdeel d toegelicht. Op grond van dit artikel kan het college nadere regels stellen wat betreft de eisen aan de uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in een archeologische monument of verwachtingsgebied. Vooruitlopend op een ´Malta-proof’ bestemmingsplan´ kunnen deze nadere regels inhoudelijk aansluiten op de situatie dat (in een bestemmingsplan waarin een archeologische paragraaf is opgenomen) de verstorende werkzaamheden worden uitgevoerd aan de hand van een aanlegvergunning, waarin vereisten omtrent de bescherming van archeologische waarden zijn opgenomen, een en ander conform de handreiking van de VNG ‘Verder met Valletta’.