Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 15.

Opgravingen en begeleiding

Onderdeel van Erfgoedverordening Bloemendaal 2009

Bij opgravingen is in de Monumentenwet 1988 een aantal zaken uitputtend geregeld. Zo bestaat een vergunningvereiste voor het doen van opgravingen, dient een rechthebbende van een terrein te dulden dat de opgravingbevoegde zijn terrein betreedt en eventueel opgravingen verricht en is ook de eigendomskwestie van de archeologische vondsten uitputtend geregeld. Om de regierol goed te kunnen uitoefenen, wordt met dit artikel aan het college de mogelijkheid gegeven een programma van eisen op te stellen waarmee de kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1, onder a). Van de opgraver wordt verwacht dat hij in een plan van aanpak weergeeft hoe hij het voorgenomen archeologisch onderzoek zal uitvoeren en in het geval het plan van aanpak volgt op een programma van eisen, zal de opgraver in het plan van aanpak specifiek aan dienen te geven hoe hij de gestelde kaders zoals omschreven in het programma van eisen denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Op grond van de leden 2 en 3 kunnen vervolgens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de feitelijke uitvoering (en het toezicht daarop) en de beoordeling van het plan van aanpak.

Rechtspraak bij dit artikel