Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 1

Artikel 1:4

Voorschriften en beperkingen

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Gorinchem

1.. Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet worden of zijn nagekomen; van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; de houder of zijn rechtsverkrijgende dit verzoekt. Artikel 1:7 Vergunning of ontheffing voor onbepaalde tijd De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Artikel 1:8 Weigeringgronden De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. HOOFDSTUK 2OPENBARE ORDE AFDELING 1.BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDEN Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. Degene die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties  . Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:1a Verblijfsontzeggingen Een ieder is verplicht zich op een daartoe strekkend bevel, schriftelijk gegeven door of namens de burgemeester in het belang van de openbare orde, te verwijderen en verwijderd te houden, uit een door hem aangewezen gebied en gedurende de tijd, in het bevel genoemd. Het in het eerste lid gestelde is niet van toepassing op personen die in het door de burgemeester aangewezen gebied: zich bevinden in een middel van openbaar vervoer; aldaar werkzaam zijn; volgens de gemeentelijke basisadministratie van persoonsgegevens aldaar woonachtig zijn; dan wel; een aantoonbaar redelijk belang hebben om zich in dit gebied op te houden. Een bevel als bedoeld in het eerste lid is slechts geldig gedurende een in het bevel genoemde periode van ten hoogste vier weken. AFDELING 2.BETOGING Artikel 2:2 Optochten Gereserveerd. Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst al bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat deze gehouden zal worden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. De kennisgeving bevat: naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan vóór 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn. Artikel 2:4 Afwijking termijn Gereserveerd, vervallen (zie 2:3 lid 5) Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens Gereserveerd, vervallen (zie 2:3 lid 2) AFDELING 3.VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKEN Artikel 2:6 Gereserveerd, vervallen. AFDELING 4.VERTONINGEN E.D. OP DE WEG Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d. Gereserveerd, vervallen Artikel 2:8 Dienstverlening Gereserveerd, vervallen Artikel 2:9 Straatartiest Het is zonder voorafgaande melding aan de burgmeester verboden ten behoeve van publiek als straatartiest op te treden. De burgemeester kan nadere regels stellen omtrent het optreden. AFDELING 5.BRUIKBAARHEID EN AANZIEN VAN DE WEG Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie ervan Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als: het beoogde gebruik niet van tevoren is gemeld aan het college; het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg; het beoogde gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; het beoogde gebruik een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; het college het beoogde gebruik naar aanleiding van een melding heeft verboden. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: evenementen als bedoeld in artikel 2:24; standplaatsen, als bedoeld in artikel 5:17; terrassen bij horecabedrijven, als bedoeld in artikel 2:27, onder b.; terrassen op de Grote Markt te Gorinchem, zoals aangegeven op de bij deze APV behorende situatietekening; losse terrassen op door het college aangewezen weggedeelten; infrastructurele voorzieningen voor het opladen van accu’s van voertuigen met een elektromotor als hoofdmotor. Het is verboden zonder vergunning van het college een terras, als bedoeld in artikel 2:10, onder d. en e., te plaatsen, in stand te houden en/of te exploiteren, of te doen plaatsen te doen houden en/of te doen exploiteren. Het college kan een vergunning voor een terras, zoals bedoeld in lid 3, weigeren als: het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; het beoogde gebruik een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg of het beoogde gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de weg, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan. Indien door verschillende aanvragers aanvragen worden ingediend voor een vergunning voor een terras op de Grote Markt op dezelfde plaats, en de vergunning of vergunningen kunnen niet op grond van het vierde lid worden geweigerd, zal het college door middel van een vergelijkende toets de vergunning verlenen. Bij deze toets wordt getoetst op grond van de volgende criteria: de invloed van het terras op de aantrekkelijkheid van de stad voor inwoners, bezoekers en toeristen, en de bijdrage van het horecabedrijf dat het terras wil exploiteren op deze aantrekkelijkheid. Hierbij wordt rekening gehouden met de soort horeca, de openingstijden van het horecabedrijf, de ligging van het terras ten opzichte van de rond de Grote Markt gevestigde horecabedrijven en de grootte van het horecabedrijf ten opzichte van de oppervlakte van het terras. Het college kan een beleidsregel vaststellen met betrekking tot procedure en de inhoud van deze vergelijkende toets. Het is verboden zonder vergunning van het college infrastructurele voorzieningen voor het opladen van accu’s van voertuigen met een elektromotor als hoofdmotor, als bedoeld in artikel 2:10, onder f. te plaatsen, in stand te houden, of te doen plaatsen te doen houden. Het college kan een vergunning voor infrastructurele voorzieningen voor het opladen van accu’s van voertuigen met een elektromotor als hoofdmotor, zoals bedoeld in lid 6, weigeren als: het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; het beoogde gebruik een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg of het beoogde gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de weg, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan. Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet Beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet, Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. Op de vergunningen als bedoeld in het derde en zesde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:11 Omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. De vergunning wordt verleend Als omgevingsvergunning door het bevoegde gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit; Door het college in de overige gevallen. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak. Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien in het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, De Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening gemeente Gorinchem of de Wegenverordening Zuid-Holland. Artikel 2:12 Maken en veranderen van een uitweg 1.Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg indien: a) degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg daarvan niet van tevoren melding heeft gedaan aan het college, met bij de melding een situatieschets van de gewenste uitweg; of b) indien het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden. 2.Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg indien: a) daardoor het verkeer op de weg in gevaar kan worden gebracht; b) dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c) het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d) er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. De uitweg kan worden aangelegd indien het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg verboden wordt. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien in de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Wegenverordening Zuid-Holland. AFDELING 6.VEILIGHEID OP DE WEG Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of artikel 427, aanhef en onder 4e van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:14 Winkelwagentjes Het is verboden een winkelwagentje na gebruik op de weg achter te laten. Het is verboden zich met een winkelwagentje buiten de onmiddellijke omgeving van de winkel waar men het wagentje in gebruik heeft genomen te begeven. De rechthebbende op een bedrijf die ten behoeve van het winkelend publiek winkelwagentjes ter beschikking stelt voor het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of van een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet Milieubeheer van toepassing is. Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Gereserveerd, vervallen. Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of andere afsluiting, die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 2:17 Kelderingangen e.d. Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Artikel 2:18 Rookverbod op natuurterreinen Het is verboden te roken in bossen, op heide- of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende een door het college aangewezen periode. Het is verboden in bossen op heide- of veengronden dan wel in duingebieden, natuurterreinen of binnen een afstand van 100 meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. Het in het eerste en het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover het bepaalde in artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte, erven. Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp Gereserveerd, vervallen. Artikel 2:20 Vallende voorwerpen Het is verboden aan een weg of aan enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg. Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. Het college maakt tevoren aan de rechthebbende op een bouwwerk zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp of bord als bedoeld in het eerste lid. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht van toepassing is. Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn Het is verboden binnen een afstand van 6 meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan 2 meter te plaatsen of te hebben. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs Het is verboden: voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; bakens of andere voorwerpen voor de veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. Het verbod uit het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale Vaarwegenverordening. AFDELING 7. EVENEMENTEN Artikel 2:24 Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoopvoorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; het gelegenheid tot dansen geven in een inrichting als bedoeld in de Drank- en Horecawet; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39 van deze verordening; voor publiek toegankelijke verrichtingen welke plaatsvinden in horecabedrijven en sporthallen. Onder evenement wordt mede verstaan: een herdenkingsplechtigheid; een braderie; een optocht; een feest of wedstrijd op of aan de weg; een klein evenement. Onder klein evenement wordt verstaan een straatfeest of buurtbarbecue op één dag. Aan de hand van de aanvraag wordt een risicoscan uitgevoerd en het evenement als volgt aangeduid: Onder A- evenement wordt verstaan: een regulier evenement. Onder B- evenement wordt verstaan: een aandacht evenement. Onder C- evenement wordt verstaan: een risico evenement. Artikel 2:25 A A-, B-, of C- evenementen Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een A-, B- of C-evenement te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen. De burgemeester kan de vergunningaanvraag buiten behandeling stellen indien: Een A-evenement niet ten minste 6 weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd; Een B- of C-evenement niet ten minste 12 weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd. De burgemeester weigert de vergunning voor een B- of C-evenement indien de organisator: onder curatele staat, in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt. Onverminderd de artikelen in de APV met betrekking tot: Intrekking en Weigeringsgronden kan de burgemeester de evenementenvergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd intrekken of wijzigen indien naar zijn oordeel: dit noodzakelijk is voor de openbare orde en veiligheid of de bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving van het evenement; de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen niet kan worden gewaarborgd; de zedelijkheid of gezondheid van bezoekers niet kan worden gewaarborgd; het gelet op een gebeurtenis van nationale omvang op de dag van het evenement of daags voor het evenement met een dusdanig effect op het gemeenschapsleven niet wenselijk is dat de activiteiten worden verricht of voortgezet; de bescherming van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt nodig is, de ter handhaving van de openbare orde en veiligheid noodzakelijke politie- en betreffende hulpverleningscapaciteit een onevenredig beroep op de beschikbare bezetting doet; tegen de organisator in de afgelopen drie jaar een bestuurlijke sanctie is genomen; de inhoud of uitstraling van het evenement niet past in het evenementenbeleid, het imago of de belangen van de gemeente. De burgemeester kan aan de vergunning voorwaarden verbinden ter regulering van het evenement, die onder meer betrekking kunnen hebben op: de plaats en het tijdstip van het evenement; de benodigde technische voorzieningen; de inrichting van het evenemententerrein; het activiteitenprogramma; een veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers; het verkeersplan. De aanvraag om een evenementenvergunning bevat ten minste: de plaats waar het evenement wordt gehouden; de datum en het tijdstip waarop het evenement wordt gehouden; een opgave van het verwachte aantal deelnemers en toeschouwers; de inrichting van het evenemententerrein; het activiteitenprogramma; de mogelijke risico's voor verstoring van de openbare orde en veiligheid; het veiligheidsplan, gezondheidsplan, verkeers- en mobiliteitsplan Plan van maatregelen die de organisator zelf zal nemen om wanordelijkheden zoveel mogelijk te voorkomen. Risico verhogende feiten of omstandigheden die na de aanvraag naar voren komen, dienen door de organisator onverwijld aan de behandelende gemeente te worden gemeld. Dit artikel is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid. Artikel 2:25 B Evenement In afwijking van artikel 2:25 A, eerste lid, is geen vergunning vereist indien: het aantal bezoekers niet meer dan 100 personen bedraagt; het evenement tussen 10.00 en 24.00 plaatsvindt; het evenement niet meer dan twee straten omvat; niet langer dan tot 23.00 (live) muziek ten gehore wordt gebracht; het evenement geen belemmering voor de hulpdiensten vormt; slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van 10 m2 per object en niet meer dan vier objecten per straat; er een organisator is; de organisator de burgemeester tenminste 14 werkdagen voorafgaand aan het evenement in kennis stelt met een door de burgemeester vastgesteld meldingsformulier; indien binnen 7 werkdagen na ontvangst van het formulier geen tegenbericht is verzonden kan het evenement zoals gemeld plaatsvinden. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg, voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 jo. artikel 148 Wegenverkeerswet 1994. 2:25 C Termijnen De melding van een klein evenement dient uiterlijk 2 weken voor aanvang evenement ingediend te zijn. De aanvraag voor een A- evenement dient uiterlijk6 weken voor aanvang evenement ingediend te zijn. Vergunningverstrekking gebeurt uiterlijk 2 weken voor aanvang van het evenement. De aanvraag voor B en C evenementen dient uiterlijk 12 weken voor aanvang evenement ingediend te zijn. Vergunningverstrekking gebeurt uiterlijk 4 weken voor aanvang van het evenement. Artikel 2:26 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. AFDELING 8. TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel