Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4 › AFDELING 3.

Artikel 4:11.6

Herplant-/instandhoudingsplicht

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Enschede 2009

·. 1. Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in artikel 4.11 van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten binnen een door hen te stellen termijn en overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen. ·. 2. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen. ·. 3. Indien voldoende termen aanwezig zijn om overeenkomstig het bepaalde in lid 1 een verplichting tot herbeplanting op te leggen, doch uitvoering hiervan in ruimtelijke zin niet mogelijk is of naar maatstaven van redelijkheid onvoldoende compensatie biedt voor het tenietgaan van de houtopstand, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond, dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen een door hen te bepalen vergoeding, gebaseerd op de boomwaarde, te betalen, te storten op de rekening van het bevoegd gezag. ·. 4. het college stelt nadere regels vast omtrent de wijze waarop de hoogte van de in het 3 e lid bedoelde vergoeding, gebaseerd op de boomwaarde, wordt bepaald. ·. 5. Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in artikel 4.11 van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop de houtopstand zich bevindt dan wel aan de degene die uit anderen hoofde tot het treffen van de voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om binnen een door hen te stellen termijn en overeenkomstig door hen te geven aanwijzingen voorzieningen te treffen waardoor die bedreiging wordt weggenomen. ·. 6. Het kapverbod zoals omschreven in artikel 4.11 geldt ook voor bomen met een omtrek van minder dan 100 cm binnen de bebouwde kom, respectievelijk 50 cm buiten de bebouwde kom, indien deze zijn geplant in het kader van een krachtens het eerste lid opgelegde verplichting tot herbeplanting.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel