1.De vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van een commissie
en haar
subcommissies bedoeld in artikel 14 van het Rechtspositiebesluit raads-
en
commissieleden is gelijk aan het door de minister van Binnenlandse Zaken
en
Koninkrijksrelaties voor gemeenteklasse 3 vastgestelde maximum.
2.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
als lid van een
commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden als bedoeld in
artikel 96
van de Gemeentewet ontvangt.
Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
commissie
als raadslid of wethouder;
uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van
een ambtelijke of
bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een functie bij een instelling
die
grotendeels van overheidswege wordt gesubsidieerd;
c.als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling, organisatie
of
groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de commissie tevens in
belangrijke
mate het gemeentelijk belang dient.
4.Het college kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een
hogere
vergoeding vaststellen ten aanzien van:
a.een lid van een commissie die op grond van zijn bijzondere
beroepsmatige
deskundigheid op het taakgebied van de commissie voor deelname aan
haar
werkzaamheden is aangetrokken, en
b.een lid van een commissie ten aanzien waarvan de vergoeding niet
geacht
kan worden in een redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van zijn
taak
en de omvang van de door hem te verrichten arbeid
Hoofdstuk IV
Artikel 26
Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen
Onderdeel van nr 01.14 Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2007