Burgemeester en wethouders kunnen toestemming verlenen om af te wijken van het bestemmingsplan voor het uitbreiden van een hoofdgebouw, zijnde een woning of een wooneenheid, onder de volgende voorwaarden:
De uitbreiding van de woning of het woongebouw mag niet tot gevolg hebben dat het hoofdgebouw een grotere diepte krijgt dan 15m of de achtergrens van het bouwvlak hoofdgebouw overschrijdt, dit volgens de verbeelding van het bestemmingsplan.
Artikel 3.2 lid a is niet van toepassing op hoofdgebouwen aan Het Puyven en Refelingse Erven. Voor deze hoofdgebouwen geldt als maximale diepte voor een hoofdgebouw de binnenplanse afwijkingingsbevoegdheid van het bestemmingsplan Nuenen Zuid (goedgekeurd 29 maart 2007);
Een kelder is uitsluitend toegestaan voor zover de oppervlakte niet meer bedraagt dan de oppervlakte van het hoofdgebouw en volgens de verbeelding van het bestemmingsplan is gelegen in het bouwvlak hoofdgebouw en/ of bouwvlak bijgebouwen;
De voorgevel van het hoofdgebouw dient in of tot maximaal 3.00m achter de voorgevelrooilijn te worden gesitueerd;
De goothoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan de bestaande goothoogte, met dien verstande dat ondergeschikte bouwdelen buiten beschouwing blijven2;
De bebouwingshoogte mag niet meer bedragen dan de bestaande bebouwingshoogte, met dien verstande dat ondergeschikte bouwdelen bij het bepalen van de bestaande bebouwingshoogte buiten beschouwing blijven3;
De dakhelling van het hoofdgebouw dient bij voorkeur aan te sluiten bij de bestaande situatie, danwel minimaal 20° en maximaal 55° te bedragen. Deze eis geldt voor minimaal 60% van de oppervlakte van het hoofdgebouw. Het overige deel van de oppervlakte van het hoofdgebouw mag plat afgedekt te zijn. Dit vereiste geldt niet voor de afdekking ‘kap met platte afdekking’ (zie artikel 1.4 lid e).
2. De beleidsregels onder artikel 3.2 d en e gelden niet:
als het ter plaatse geldende bestemmingsplan een andere dan de bestaande goot- of bebouwingshoogte bij recht toestaat (zonder vrijstelling, ontheffing, wijziging of herziening) of:
als het ter plaatse geldende bestemmingsplan via vrijstelling of ontheffing de mogelijkheid biedt voor een andere dan de bestaande goot- of bebouwingshoogte, en deze andere hoogte niet leidt tot een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving.
3. De beleidsregels onder artikel 3.2 d en e gelden niet:
als het ter plaatse geldende bestemmingsplan een andere dan de bestaande goot- of bebouwingshoogte bij recht toestaat (zonder vrijstelling, ontheffing, wijziging of herziening) of:
als het ter plaatse geldende bestemmingsplan via vrijstelling of ontheffing de mogelijkheid biedt voor een andere dan de bestaande goot- of bebouwingshoogte, en deze andere hoogte niet leidt tot een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving.
Hoofdstuk
Artikel 3.2
Uitbreiding hoofdgebouw
Onderdeel van Afwijkingenbeleid Wabo – bebouwde kom, herziening 2013, 1e wijziging’