Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 3.3

Uitbreiding van of een bijgebouw bij een hoofdgebouw

Onderdeel van Afwijkingenbeleid Wabo – bebouwde kom, herziening 2013, 1e wijziging’

Artikel2.7Bor in samenhang met bijlage II, artikel 4, lid 1 Bor. Burgemeester en wethouders kunnen toestemming verlenen om af te wijken van het bestemmingsplan voor het uitbreiden van een hoofdgebouw, zijnde een woning of een wooneenheid met een bijbehorend bouwwerk onder de voorwaarden dat: Bijbehorende bouwwerken uitsluitend mogen worden gesitueerd op een afstand van minimaal 3.00m achter de voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde van die voorgevel. Aan- en uitbouwen (bijvoorbeeld erkers) op een kleinere afstand van de voorgevel of voor de voorgevel mogen worden gebouwd, mits: de diepte van de aan- of uitbouw niet meer bedraagt dan 1.50m; de breedte niet meer bedraagt dan maximaal 2/3 van de breedte van de gevel waaraan gebouwd wordt; de hoogte van de aan- of uitbouw uit maximaal één bouwlaag bestaat; de aan- of uitbouw niet leidt tot een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving. In hoeksituaties de zijdelings gebouwde bijbehorende bouwwerken de voorgevelrooilijn van de zijstraat niet mogen overschrijden met uitzondering van erkers. De bepalingen in artikel 3.3 lid b van dit beleid zijn van overeenkomstige toepassing. De bebouwde oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in totaal maximaal 60m2 per bouwperceel mag bedragen. Indien de oppervlakte van de gronden gelegen achter de achtergevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw en het verlengde daarvan, meer bedraagt dan 200m2, dan mag, in afwijking van het voorgaande, de genoemde oppervlakte van 60m2 worden vermeerderd met 10% van deze overmaat tot een maximum van in totaal 90m2. Indien de oppervlakte achter de achtergevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan, meer bedraagt dan 500m2, dan mag, in afwijking van het voorgaande, de genoemde oppervlakte van 90m2 worden vermeerderd met 10% van deze overmaat tot een maximum van in totaal 120m2. De maximale bebouwde oppervlakte geldt voor alle bijbehorende bouwwerken op het perceel. Dit houdt in dat ook de bijbehorende bouwwerken die binnen het ‘bouwvlak hoofdgebouwen’ zijn gesitueerd, bij de bijgebouwenregeling worden meegeteld4. In aanvulling op het bepaalde onder artikel 3.3, lid d voor de gronden gelegen achter de achtergevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan geldt dat minimaal 25m² onbebouwd dienen te blijven. Voor de goot- en bebouwingshoogte van bijbehorende bouwwerken bij het verlenen van een toestemming voor het afwijken van het bestemmingsplan de volgende beleidsregels gelden: de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3.20m; bij het verlenen van een afwijking mag de bebouwingshoogte van bijbehorende bouwwerken niet meer bedragen dan 6.50m; de goot- of bebouwingshoogte bij een bungalow mag meer bedragen dan is aangegeven onder 1 en 2, als dit vanwege de architectonische samenhang tussen het hoofdgebouw en het bijbehorende bouwwerken wenselijk is en dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen van de naburige erven. In dat geval mag de goot- of bebouwingshoogte maximaal de hoogte bedragen van de hoogte van het hoofdgebouw (een en ander binnen de marges van artikel 2.7 Bor); onderdeel 3 is alleen van toepassing op de bestemmingsplannen die van kracht waren op het moment van in werking treden van onderhavig beleid; in de perceelsgrens, en op een afstand tot 1.00m uit de perceelsgrens, mag, naast de goothoogte, ook de bebouwingshoogte van een bijbehorend bouwwerk niet meer bedragen dan 3.00m. Deze bebouwingshoogte mag echter meer bedragen als dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen van de naburige erven. In dat geval mag de goot- en bebouwingshoogte niet meer bedragen dan de goot- en bebouwingshoogte van het hoofdgebouw (een en ander binnen de marges van artikel 2.7 Bor). Het dak, mag bestaan uit een platdak of uit een kap met een dakhelling van maximaal 55. 4.Met deze beperking van de oppervlakte voor aan-, uit- en bijgebouwen worden de volgende doelen nagestreefd. Een ruim bouwvlak is primair bedoeld voor enige flexibiliteit in de situering van het hoofdgebouw en niet om het vol te bouwen met bijgebouwen. Daarnaast wordt met deze bebouwingsregeling een duidelijk onderscheid tussen de (dominante) hoofdbouwmassa en de (ondergeschikte) bijgebouwen bevorderd, doordat zoveel mogelijk functies in het hoofdgebouw zullen worden opgenomen. Tot slot wordt de hoeveelheid bijgebouwen in zij- en achtertuinen beperkt tot wat bij een woning redelijkerwijs nodig is. Hiermee wordt voorkomen dat tuinen onnodig dichtslibben. Voor grote(re) percelen geldt dat de bebouwde oppervlakte van aan-, uit- en bijgebouwen toe mag nemen, naarmate het perceel groter is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel