Naar hoofdinhoud
De erfpachter is verplicht en verbindt zich jegens de gemeente, die dit voor zich aanvaardt, om het bepaalde in de artikelen 11, 19, 20, 21, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 32, 33, 34, 35, 40 en 43 bij de overdracht van het in erfpacht uitgegeven perceel (of gedeelte daarvan), alsmede bij de verlening daarop van een beperkt recht, aan de nieuwe erfpachter en/of beperkt gerechtigde op te leggen en daartoe het in de artikelen 11, 19, 20, 21, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 32, 33, 34, 35, 40 en 43 bepaalde woordelijk in de notariële akte te laten opnemen, zulks op verbeurte van een onmiddellijk opeisbare boete aan de gemeente van 10 x de jaarlijkse canon dan wel - indien de canon is afgekocht- een bedrag ter grootte van 10 % van de afkoopsom, en met de bevoegdheid van de gemeente om daarnaast nakoming en/of vergoeding van de meerdere schade te vorderen. Op gelijke wijze als onder lid 1 is bepaald, verbindt de erfpachter zich jegens de gemeente tot het bedingen bij wijze van derdenbeding bij de nieuwe erfpachter of beperkt gerechtigde dat ook deze zowel het bepaalde in de artikelen 11, 19, 20, 21, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 32, 33, 34, 35, 40 en 43 als de verplichting om dit door te geven, zal opleggen aan de rechtsopvolgers en/of beperkt gerechtigden. Elke opvolgende vervreemder neemt daarbij namens en ten behoeve van de gemeente het gestelde in lid 2 aan.

Rechtspraak bij dit artikel