1. Het declareren van de reis- en verblijfkosten geschiedt op een door het bevoegd gezag voorgeschreven wijze, onder overlegging van de vereiste bewijsstukken.
2. De aanspraak op een vergoeding vervalt, indien de betrokkene de declaratie niet indient binnen twee maanden na de maand waarop de declaratie betrekking heeft.
3. De aanspraak op een vergoeding vervalt, indien de betrokkene de gemaakte reiskosten in het voorafgaande jaar niet uiterlijk in de maand januari van het nieuwe jaar heeft gedeclareerd.