In deze verordening wordt verstaan onder:
De wet: de Wet werk en bijstand (WWB);
IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
Algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel b, van de wet;
Belanghebbende: personen van 27 jaar of ouder en beneden de leeftijd van 65 jaar, die een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand, een uitkering op grond van de IOAW of een uitkering op grond van de IOAZ ontvangen;
Bijstand: de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de wet;
Bijzondere bijstand: de bijstand als bedoeld in artikel 5, onderdeel d, van de wet;
Grondslag: de grondslag als bedoeld in artikel 5 van de IOAW of de grondslag als bedoeld in artikel 5 van de IOAZ;
Maatregel: het verlagen van de bijstand op grond van artikel 18, lid 2 van de wet, het verlagen van de grondslag bedoeld in artikel 20, lid 2, van de IOAW of artikel 20, lid 1, van de IOAZ, dan wel het weigeren van de grondslag, bedoeld in artikel 20. lid 1, van de IOAW of artikel 20, lid en lid 3, van de IOAZ;
UWV werkbedrijf: Het onderdeel van het UWV waar arbeidsbemiddeling en re-integratie bij elkaar komen;
Het college: het college van burgemeester en wethouders van Huizen;
Algemeen geaccepteerde arbeid: werk dat algemeen maatschappelijk aanvaard is.
Artikel 2. Het opleggen van een maatregel
Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, kan overeenkomstig deze verordening een maatregel worden opgelegd.
Als de belanghebbende naar het oordeel van het college een verplichting als bedoeld in artikel 13 IOAW of de IOAZ of een op grond van hoofdstuk III IOAW of de IOAZ aan de uitkering verbonden verplichting – anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c IOAZ - schendt, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd. Daarnaast wordt tevens een maatregel opgelegd indien belanghebbende onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW of de IOAZ zich jegens het college zeer ernstig misdraagt.
Het tweede lid is gelijkelijk van toepassing op de belanghebbende die een uitkering ontvangt op grond van de IOAW, wanneer hij de op basis van artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen op hem rustende verplichtingen schendt.
Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.
Artikel 3. Berekeningsgrondslag
De maatregel wordt toegepast op de voor de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm plus de eventuele toeslag of de grondslag.
Artikel 4. Het besluit tot opleggen van een maatregel
In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het percentage waarmee de bijstand of de grondslag wordt verlaagd, het bedrag waarmee de bijstand of de grondslag wordt verlaagd uitgaande van de uitkeringsnorm of de grondslag en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel.