**1..** Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.
Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten indien:
de vereiste spoed zich daartegen verzet;
de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;
de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college of van een derde aan wie het college met toepassing van artikel 7 van de WWB, artikel 24 van de IOAW of artikel 24 van de IOAZ, werkzaamheden in het kader van de WWB, IOAW of IOAZ heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de WWB, artikel 13 van de IOAW of artikel 13 van de IOAZ;
het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid;
de maatregel wordt opgelegd wegens ernstige misdragingen als bedoeld in artikel 15.
Artikel 6. Afzien van het opleggen van een maatregel
Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of
de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is verleend. Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.
Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
Indien het college afziet van het opleggen of uitvoeren van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.
Artikel 7. Ingangsdatum en tijdvak
De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm of grondslag.
In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand of de grondslag nog niet is uitbetaald.
Indien geen maatregel opgelegd of uitgevoerd kan worden omdat de bijstandsuitkering
of uitkering wordt beëindigd, kan alsnog een maatregel worden opgelegd of uitgevoerd
indien de belanghebbende binnen een termijn van een jaar opnieuw recht heeft op een
bijstandsuitkering, een IOAW uitkering of een IOAZ uitkering.
Artikel 8. Recidive en samenloop
De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen 24 maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan het schenden van de inlichtingenplicht of aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie.
Indien een belanghebbende zich, na een besluit als bedoeld in het eerste lid, wederom schuldig maakt aan een of meerdere verwijtbare gedragingen zoals genoemd in artikel 9, 11, 12, 13, 14 en 15 van deze verordening, en die plaatsvinden binnen een periode van 24 maanden na het laatste maatregel-recidivebesluit, kan het college al individualiserend de hoogte en de duur van de toe te passen maatregel vaststellen.
Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.
Indien sprake is van een gedraging die schending oplevert van meerdere in de wet, de IOAW of de IOAZ, genoemde verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen maatregelen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste maatregel opgelegd.
Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in de wet, de IOAW of de IOAZ, genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op artikel 6, tweede lid, niet verantwoord is.
**3..**