1. De leden van het personeel, aan wie overeenkomstig de bepalingen deze verordening kleding- en uitrustingsstukken zijn verstrekt, zijn verplicht deze tijdens de uitoefening van de dienst te dragen, tenzij zulks door het hoofd van dienst niet noodzakelijk of met het oog op het seizoen of de weersgesteldheid ondoenlijk wordt geacht, dan wel het dragen hiervan op medisch advies is verboden.
2. Indien het in dit artikel bedoelde personeel gedurende tenminste drie kalendermaanden om gezondheids- of andere redenen niet werkelijk dienst heeft gedaan, wordt de minimum-draagtijd van de hem verstrekte kleding- en uitrustingsstukken verlengd met de niet in werkelijke dienst doorgebracht tijd.
3. De verstrekte kleding en uitrustingsstukken blijven het eigendom van de gemeente zolang de daarvoor vastgestelde minimum draagtijd niet is verstreken. De draagtijd gaat in op de eerste van de maand waarin de verstrekking plaatsvindt. Bij beëindiging van het dienstverband kan worden gevorderd, dat de kleding- en uitrustingsstukken, voorzover de minimum draagtijd hiervan niet is verstreken, worden ingeleverd.