Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5 › Paragraaf 2

Artikel 14

Spreekrecht burgers in voorbereidende vergaderingen

Onderdeel van Verordening op de raadsvoorbereiding 2014

Na de opening van de vergadering kunnen aanwezige burgers gezamenlijk gedurende maximaal dertig minuten het woord voeren over onderwerpen die de vergadering aangaan. Het woord kan niet gevoerd worden over: een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar en beroep openstaat of heeft open gestaan; benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen; een gedraging waarover een klacht ex artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan of kon worden ingediend; een onderwerp waarover inspreker reeds in de vorige vergadering heeft ingesproken. Degene, die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit ten minste vóór 10.00 uur op de dag van de vergadering aan de griffier. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres en telefoonnummer en het onderwerp, waarover hij het woord wil voeren. De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding. De voorzitter kan van de volgorde afwijken, indien dit in het belang is van de orde van de vergadering. Elke spreker krijgt maximaal vijf minuten het woord. De voorzitter verdeelt de spreektijd evenredig over de sprekers als er meer dan zes sprekers zijn. De voorzitter kan tevens in bijzondere gevallen afwijken van de maximale lengte van de spreektijd. De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft verleend. Spreker richt zich tot de voorzitter. De voorzitter geeft vertegenwoordigers gelegenheid korte verhelderende vragen te stellen aan inspreker. De voorzitter of een vertegenwoordiger doet een voorstel voor de behandeling van de inbreng van de burger.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel