Na de opening van de vergadering kunnen aanwezige burgers
gezamenlijk gedurende maximaal dertig minuten het woord
voeren over onderwerpen die de vergadering aangaan.
Het woord kan niet gevoerd worden over:
een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar en
beroep openstaat of heeft open gestaan;
benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van
personen;
een gedraging waarover een klacht ex artikel 9:1 van de
Algemene wet bestuursrecht kan of kon worden ingediend;
een onderwerp waarover inspreker reeds in de vorige
vergadering heeft ingesproken.
Degene, die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit
ten minste vóór 10.00 uur op de dag van de vergadering aan
de griffier. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres en
telefoonnummer en het onderwerp, waarover hij het woord wil
voeren.
De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding. De
voorzitter kan van de volgorde afwijken, indien dit in het
belang is van de orde van de vergadering.
Elke spreker krijgt maximaal vijf minuten het woord. De
voorzitter verdeelt de spreektijd evenredig over de sprekers
als er meer dan zes sprekers zijn. De voorzitter kan tevens
in bijzondere gevallen afwijken van de maximale lengte van
de spreektijd.
De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit
heeft verleend. Spreker richt zich tot de voorzitter. De
voorzitter geeft vertegenwoordigers gelegenheid korte
verhelderende vragen te stellen aan inspreker. De voorzitter
of een vertegenwoordiger doet een voorstel voor de
behandeling van de inbreng van de burger.
Hoofdstuk 5 › Paragraaf 2
Artikel 14
Spreekrecht burgers in voorbereidende vergaderingen
Onderdeel van Verordening op de raadsvoorbereiding 2014