Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 5.4

Objectgerichte criteria

Onderdeel van Welstandsnota 2013

In de gebiedsgerichte criteria worden de criteria toegeschreven naar het algemene beeld voor het betreffende gebied. Bepaalde gebouwen binnen de welstandgebieden hebben aanvullende objectcriteria. Als deze gebouwen in de welstandsvrije gebieden liggen dan gelden de objectgerichte criteria niet. Objecten in De Wolden Voor het karakter van De Wolden is met name het landschap en de agrarische bebouwing daarin bepalend. 1. Boerderijen zijn daarom aangewezen als objecten waarvoor in de welstandgebieden objectcriteria geldend zijn. 2. De boerderijen die als meest belangrijk worden gezien en typerend zijn voor de streek zijn voorzien van specifieke objectcriteria. - Het gaat om de Saksische boerderijen die behoren tot de oudste bebouwing in de gemeente en - de negentiende-eeuwse “herenboerderijen” die de rijkdom van die eeuw laten zien. De objectcriteria gelden voor alle plannen aan en bij deze boerderijen. Indien een plan niet past binnen de criteria kan alleen gemotiveerd worden afgeweken van de regels door de hardheidsclausule toe te passen. A. Algemene objectcriteria boerderijen Ligging in het landschap Erven en boerderijcomplexen bepalen en beïnvloeden het aanzicht van het landschap in sterke mate. Afhankelijk van de locatie/landschap varieert de plaatsing van redelijk regelmatig (Veenkoloniaal) tot zeer onregelmatig (esdorpenlandschap). In beide gevallen is de ligging in gelijke mate bepalend voor de herkenbaarheid van het (Drentse) landschap. Inrichting erven Op de erven van boerderijen is van oudsher sprake van een hoge mate van samenhang tussen de daarop aanwezige bebouwing. Het erf is van oorsprong ingedeeld in het voor- en het achtererf. Deze indeling is zowel in de gebouwen als in de erfinrichting goed te herkennen in de grootte van de ramen, de plaats van de schoorsteen en soms in de dakbedekking. Plaats bebouwing op het erf Door de onregelmatigheid van het landschap en de erven die deze onregelmatigheid volgen is over de plaatsing van het hoofdcomplex geen eenduidige uitspraak te doen. Over het algemeen speelt functionaliteit in de plaatsing een zeer voorname rol; vaak zijn de bedrijfsgebouwen van een boerderij op het landschap gericht of dicht bij de weg. De bebouwing staat altijd vrij op het erf, op enige afstand van de straat. In hoofdlijn bestaat de opbouw van de boerderij uit een woonhuis en een bedrijfsdeel. Het bedrijfsdeel staat achter de lijn die de scheiding tussen woon- en bedrijfsdeel vormt; een bijgebouw overschrijdt nooit deze lijn (doorschietend bijgebouw’). Daarnaast blijft bebouwing altijd binnen de vaak met bomen gemarkeerde erfgrens. Deze erfgrens is echter aan het veranderen. Door veranderingen in de bedrijfsvoering zijn boeren genoodzaakt tot het toevoegen van nieuwe bedrijfsgebouwen: stallen, schuren en andere opslagfuncties. Bij het toevoegen van gebouwen aan een erf gaat het bij beide karakteristieken dikwijls fout. In de plaatsing van nieuwe bedrijfsgebouwen staat functionaliteit voorop wat dikwijls afwijkingen te zien geeft van de hoofdrichting ten opzichte van de oude boerderij en het erf. Of nieuwe bedrijfsgebouwen komen met hun gevel voor de voorgevelrooilijn te staan of hebben een dusdanige lengte dat ze door de beplanting rond het erf steken. Het ‘erf’ kan de veranderingen niet meer ‘opvangen’. De plaatsing van nieuwe bouwwerken binnen het erf voldoet vaak niet aan het beeld van eenheid. Organisatie nieuwe bedrijfsbebouwing op erven Het is van belang dat er zorg wordt besteed aan de zorgvuldige inpassing van nieuwe gebouwen op een erf. Het plaatsen van een nieuw bijgebouw op het achtererf verdient de voorkeur opdat de onderlinge afstanden tussen de bedrijfsgebouwen niet te groot worden. Het nieuwe gebouw zal een eenvoudige rechthoekige hoofdvorm dienen te krijgen met een goed kapopbouw. Een sobere gevelgeleding en zorgvuldig gekozen materialen en kleuren dienen ervoor te zorgen dat het nieuwe gebouw niet dominant wordt in het beeld. Er dient tevens aandacht te worden geschonken aan de landschappelijke inpassing, de erfbeplanting en de erfinrichting. Stallen De bouw van grotere stallen is meestal niet goed mogelijk op het bestaande erf. Het is daarom van belang dat deze op een verlengd (achter)erf worden geplaatst in het verlengde van het hoofdgebouw of achter de achtergevellijn. Er dient zorg te worden besteed aan de kapvorm. Een asymmetrische kap met het lange dakvlak naar het landschap is een goede oplossing. Bij de keuze van kleuren en materialen zijn donkere aardkleuren en niet glimmende materialen belangrijk. Kozijnen zijn als witte accenten in de gevels toegestaan. Wonen in boerderijen Doordat meer en meer boerderijen de agrarische functie verliezen wordt de woonfunctie vaak vergroot. De verbouw tot woonboerderij gaat vaak gepaard met een interne verbouwing die een weerslag heeft op de buitenkant. Het is belangrijk dat de historische boerderij volledig wordt gerespecteerd. De hoofdvorm dient te worden gehandhaafd. Het exterieur mag slechts op ingetogen wijze worden gewijzigd. Dit houdt in dat de (baander) deuren wanneer ze worden vervangen door glas niet worden voorzien van een roedenverdeling. Dit geldt tevens voor de vervanging van bestaande kozijnen in het voormalige bedrijfsdeel. In het woongedeelte zal de streekeigen roedeverdeling die past bij het type boerderij dient wederom te worden toegepast bij vervanging van kozijnen. Bij het invoegen van een woonfunctie onder de kap (in het bedrijfsgedeelte) is terughoudendheid met dakramen vereist. Het typische grote gesloten (riet)dak wordt vaak door een veelheid aan dakramen en dakkapellen verstoord. Stelregel is dat het bedrijfsdeel van de boerderij zoveel mogelijk als zodanig herkenbaar blijft. Herbouw, verbouw van boerderijen Door de tijd is de kwaliteit van de boerderijen soms zodanig dat tot (gedeeltelijke) herbouw wordt overgegaan. Bij vervanging staan nieuwe bouwmethoden op gespannen voet met de ambachtelijke traditionele bouwstijl. Nieuwe bakstenen, te brede voegen, verkeerde maatvoering van kozijnhout en roeden laten de oude sfeer verdwijnen. Zorg voor een goed ontwerp en een goede materiaalkeuze is daarom vereist. Welstandscriteria Ligging - Voorgevelrooilijnen worden niet overschreden - Bijgebouwen steken nooit voorbij de lijn die het bedrijfsdeel van het woondeel scheidt - Nokrichting van nieuwe bedrijfsgebouwen is in lijn met het hoofdgebouw Massa en vorm - Bestaande grondvorm handhaven, aanbouw van een zijbeuk is niet toegestaan - Bestaande massa handhaven - Nieuwe bijgebouwen kennen een eenvoudige rechthoekige grondvorm - Nieuwe bijgebouwen zijn ondergeschikt of gelijk aan de nokhoogte van het hoofdgebouw - Bij toevoegingen aan een bestaand erf dienen kapvorm en kaphelling aan te sluiten bij de kapvorm op het erf - Bij gebruik van asymmetrische kap is de lage gootlijn naar het landschap gekeerd. Gevelopbouw - Gesloten gevelopbouw met verticale geleding Detaillering - Bij verbouw aan het hoofdgebouw toepassen van een eenvoudige fijnschalige detaillering die aansluit bij de bestaande of historisch passende detaillering - Bijgebouwen zijn sober gedetailleerd - Reclame uitingen aan de gevel niet toegestaan Materiaal en kleurgebruik - Metselwerk aan het hoofdgebouw sluit aan op bestaande metselwerk - Houten geveldelen in donkere aardtinten - Dakbedekking blijft het verschil tussen woon- en bedrijfsdeel accentueren - Bijgebouwen in donkere aardtinten - Geglazuurde pannen niet toegestaan B. Objectcriteria saksische boerderijen Algemeen De Saksische boerderij komt veel voor in het oosten van Nederland en het aangrenzende deel van Duitsland. In Drenthe is het zogenaamde Hallehuis het meest voorkomende type Saksische boerderij. Kenmerkend voor het Hallehuis zijn de compacte, rechthoekige plattegrond, de lage zijgevels en de laag aflopende dakvlakken. De basis van de boerderij vormt het houtskelet dat bestaat uit een aantal ankerbalk gebinten. Bij dit gebint is de verbindingsbalk tussen de verticale stijlen verlaagd aangebracht. Daardoor is er een extra grote zolderruimte ontstaan die meer ruimte biedt voor oogstopslag. De muren van het Hallehuis staan vrij om de houtconstructie heen, waardoor het een driebeukige indeling heeft. Het woongedeelte, de veestalling, de opslagplaats voor de oogst en de werkruimte zijn bij dit boerderijtype vaak onder één dak ondergebracht. Brede inrijdeuren of baanderdeuren in de achtergevel gaven toegang tot de deel. De stallen voor het vee lagen in de smalle zijbeuken. Door de wijze van grondgebruik en bedrijfsvoering ontwikkelde zich uit het Hallehuis weer streekeigen vormen. Zo is in gebieden waar een gemengd bedrijf werd gevoerd, in de loop van de 17de eeuw tegen de achterzijde van de boerderij een schaapsstal met hooiberging aangebouwd. De mest van het vee was hier noodzakelijk voor de landbouw. Toen in de loop van de negentiende eeuw de veestapels in Drenthe in omvang toenamen en de hooioogsten groter werden, wilde men het hooi dichter bij het vee opslaan en werd gekozen voor een hooiopslag op het laatste stuk van de deel. Omdat daardoor de deeldeur in de achtergevel werd geblokkeerd, werd die verplaatst naar een zijgevel. In deze gevels werden daarvoor deuren gemaakt, die vanwege hun hoogte inspringen in het dak. Bij boerderijen met een grotere veestapel werd zelfs een tweede dwarsdeel en dus ook een tweede paar deeldeuren aangebracht. Dit type wordt het Dwarsdeeltype met zijbaanders genoemd. Deze oplossing komt ook veel voor de gemeente De Wolden. De situering van de Saksische boerderij in de esdorpen lijkt willekeurig. Dit is echter in tegendeel het geval, de situering heeft in sterke mate te maken met het landschap en de bedrijfsvoering. Indien de situering bij herbouw niet wordt gerespecteerd gaat een cultuurhistorisch bepaalde waarde verloren. De schuur- of baanderdeuren van de Saksische boerderijen zijn allemaal gericht op de brinkruimte. Dit is bepalend voor zowel de zij- als achterbaandertypen. Bij het achterbaandertype ligt de schuur vandaar aan de weg en is het woongedeelte van de weg afgekeerd. Bijschuren en aangebouwde schuren gaan ook van dit principe uit en staan daarom qua bouwrichting altijd evenwijdig of bijna evenwijdig aan het hoofdgebouw. Saksische boerderijen kennen een rechthoekige plattegrond die in bepaalde gevallen is uitgebreid met een zogenoemde staart. Deze staart is gedraaid ten opzichte van het hoofdgebouw zodat de achterbaander goed bereikbaar bleef. Het grote dakvlak in combinatie met een lage gootlijn is zeer typerend voor de Saksische boerderij. Het woondeel heeft vaak een hogere gootlijn zodat er sprake is van een krimp. In het bedrijfsdeel vormen de baanders een “inham” in de rechthoekige plattegrond. De gevels van de Saksische boerderijen laten ook duidelijk het verschil tussen het woon- en het bedrijfsdeel zien. Het woonhuis dat beschikt over een hogere gootlijn biedt meer ruimte voor ramen dan het bedrijfsdeel met haar lage goot. In het bedrijfsdeel komt vrijwel geen licht binnen. Het woonhuis kent in de voorgevel een duidelijk verticaal geleed karakter dankzij de rechthoekige ramen. De aanwezigheid van de schouw en de schoorsteen in het midden van de voorgevel bepaalt de plaats van de ramen. De gevels van de Saksische boerderijen waren eerst van vakken met leem, daarna kwamen de gepotdekselde houten gevels gevolgd door gemetselde stenen muren. In de gemeente De Wolden komen alleen de roodbruin gemetselde en donkere houten gevels voor. De daken van de Saksische boerderij zijn rietgedekt. Welstandscriteria Ligging - Baanderdeuren op de (voormalige) brink gericht - Voorgevelrooilijnen worden niet overschreden - Bijgebouwen steken nooit voorbij de lijn die het bedrijfsdeel van het woondeel scheidt - Nokrichting van nieuwe bedrijfsgebouwen is in lijn met het hoofdgebouw Massa en vorm - Bestaande grondvorm handhaven, aanbouw van een zijbeuk is niet toegestaan - Hoekverdraaiing van de “staart” handhaven - Bestaande massa handhaven - Nieuwe bijgebouwen kennen een eenvoudige rechthoekige grondvorm - Nieuwe bijgebouwen zijn ondergeschikt of gelijk aan de nokhoogte van het hoofdgebouw - Bij toevoegingen aan een bestaand erf dienen kapvorm- en kaphelling aan te sluiten bij de kapvorm op het erf en de nieuwe gebouwen ook met de baander naar de brink te zijn gericht. Gevelopbouw - Gesloten gevelopbouw met verticale geleding - Nieuwe gevelopeningen in zijgevels springen naar binnen zoals de zijbaanders Detaillering - Bij verbouw aan het hoofdgebouw toepassen van een eenvoudige fijnschalige detaillering die aansluit bij de bestaande of historisch passende detaillering - Bij inpassen woonfunctie baanders functioneel indelen (geen roedeverdeling toepassen) - Bijgebouwen zijn sober gedetailleerd - Reclame uitingen aan de gevel niet toegestaan Materiaal en kleurgebruik - Metselwerk aan het hoofdgebouw sluit aan op bestaande metselwerk - Houten geveldelen gepotdekseld en in donkere aardtinten - Dakbedekking in riet handhaven - Bijgebouwen in donkere aardtinten - Geglazuurde pannen niet toegestaan C. Objectcriteria herenboerderijen Algemeen In Zuidwest-Drenthe is er op een gegeven moment sprake van steeds meer rijkdom onder de boeren. Dit heeft te maken met de overschakeling naar de veeteelt en de bemesting van het land. De nieuwe rijkdom wordt door de boeren vaak gebruikt om het voorhuis te verfraaien en te vergroten. Hiermee tonen de boeren hun rijkdom. In eerste instantie wordt bijvoorbeeld een voorkamer of dwarskamer gebouwd voor het traditionele hallehuis. Later, in de 19e eeuw, is er sprake van het bouwen van een geheel nieuw voorhuis dat dwars voor het oude woongedeelte wordt geplaatst. Dit nieuwe voorhuis laat veel rijkdom aan details zien en bestaat in sommige gevallen uit twee verdiepingen zodat er sprake is van een statig bijna stads herenhuis. Dit laatste type voorhuis komt voor aan de Commissieweg in De Wijk. Op andere plaatsen in de gemeente verrijzen geheel nieuwe boerderijen in de 19e eeuw zoals bijvoorbeeld in Ruinerwold. Onder deze boerderijen zijn vooral de boerderijen aan het Haakswold typische herenboerderijen. Voor het bedrijfsdeel staan een door middel van een hals verbonden woonhuis. Dit woonhuis is vaak in een eclectische stijl of Jugendstil ontworpen. Typisch in de ligging van de herenboerderijen is het woonhuis dat dwars op het bedrijfsdeel staat. De nokrichting van de schuur is haaks op de weg gelegen, het woonhuis parallel daaraan. In tegenstelling tot de Saksische boerderijen is het woonhuis altijd aan de weg gelegen in plaats van het bedrijfsdeel. De vorm van de herenboerderijen wordt bepaald door een schuur met een zadeldak en relatief lage zijgevels (hoewel deze weer veel hoger zijn dan bij de Saksische boerderijen). In de achtergevel bepalen grote deuren het beeld en is er sprake van een verticale geleding dankzij de gevelopeningen. De zijgevels kennen een sterk ritmisch beeld dankzij de gevelopeningen die eveneens verticaal gericht zijn. In veel gevallen is het woonhuis gekoppeld aan het bedrijfsdeel door een zogenaamde hals. In De Wolden komen echter ook veel voorbeelden voor waarbij dit niet het geval is. De hals kent altijd een nok die in het verlengde van het bedrijfsdeel ligt. Het woonhuis kent eveneens een zadeldak dat soms is afgetopt. Een onderkeldering van het woonhuis met een daardoor opgetild vloerpeil draagt bij aan de voorname uitstraling van de herenboerderijen. De gevelindeling van de herenboerderijen kent een vrijwel vastomlijnd stramien waarin een voordeur centraal staat en aan weerszijden één of twee ramen zorgen voor een verticale geleding van de gevel. Boven de voordeur is altijd sprake van een balkon of een andere verbijzondering in de bovengevel. Indien de woning één laag met een kap kent gaat dit ook op en is er sprake van een gemetselde dakkapel boven de voordeur. In de zijgevels is eveneens sprake van een zelfde ritme qua gevelopeningen als in de voorgevel. In sommige gevallen is er sprake van een erker of uitbouw op de hoek van de zij- en voorgevel of aan de zijgevel. De detaillering is in alle gevallen rijk te noemen. Horizontale licht gekleurde banden, sluitstenen en lijsten vormen de versiering van de gevels. Ook is er sprake van siermetselwerk in de vorm van bogen boven de gevelopeningen. De voorportalen kennen vaak tegeltableaus en op de woonhuizen is soms sprake van sierlijke torentjes en schoorsteenkappen. In de ramen is sprake van een eenvoudige roedeverdeling in tweeën of in zes delen (met uitzondering van de bijzonder gevormde gevelopeningen die complexer kunnen zijn verdeeld door gebogen vormen toe te passen). Ook komen zogenaamde “blinden” of luiken voor op de woonhuizen. De woonhuizen van de herenboerderijen zijn opgetrokken uit bruinrood metselwerk (met lichte banen als versiering) en gedekt met donkere antracietkleurige pannen of soms rode tot bruinrode pannen. De bedrijfsdelen kennen vaak een combinatie van pannen en rieten dakbedekking. Welstandscriteria Ligging - Voorgevelrooilijnen worden niet overschreden - Bijgebouwen steken nooit voorbij de achtergevellijn van het bedrijfsdeel - Nokrichting van nieuwe bedrijfsgebouwen is in lijn met het hoofdgebouw Massa en vorm - Bestaande grondvorm handhaven, aanbouw van een zijbeuk is niet toegestaan - Bestaande massa handhaven - Nieuwe bijgebouwen kennen een eenvoudige rechthoekige grondvorm - Nieuwe bijgebouwen zijn ondergeschikt of gelijk aan de nokhoogte van het hoofdgebouw - Bij toevoegingen aan een bestaand erf dienen kapvorm- en kaphelling aan te sluiten bij de kapvorm op het erf Gevelopbouw - Gesloten gevelopbouw met verticale geleding en sterke ritmiek in zijgevels bedrijfsdeel - Voorname centrale voordeur dient intact te blijven Detaillering - Handhaven van rijke geveldetails van het woonhuis - Bij verbouw aan het woonhuis toepassen van een rijke detaillering die aansluit bij de stijl - Bij verbouw aan het bedrijfsdeel toepassen van eenvoudige bij het bedrijfsdeel passende detaillering - Bijgebouwen zijn sober gedetailleerd - Reclame uitingen aan de gevel niet toegestaan (behoudens de reclame uitingen zoals omschreven in de geldende reclamenota) Materiaal en kleurgebruik - Metselwerk aan het hoofdgebouw sluit zoveel mogelijk aan op bestaande metselwerk - Donker- of rood pannendak op woonhuis - Dakbedekking bedrijfsdeel in riet handhaven - Bijgebouwen in donkere aardtinten - Geglazuurde pannen niet toegestaan

Rechtspraak bij dit artikel