Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel D.6

Vermindering en verval van aanspraak op vakantieverlof

Onderdeel van Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies

1. Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar in afwijking van de voor hem geldende werktijdregeling geen arbeid, onderscheidenlijk gedeeltelijk arbeid verricht, heeft hij geen aanspraak op basisvakantieverlof en aanvullend vakantieverlof, onderscheidenlijk aanspraak op basisvakantieverlof en aanvullend vakantieverlof naar evenredigheid van het gedeelte van de werktijd waarop de arbeid volgens de werktijdregeling is verricht. 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien geheel of gedeeltelijk geen arbeid wordt verricht wegens: genoten vakantieverlof; zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel D.11; buitengewoon verlof van korte duur op grond van de artikelen D.12 en D.13 en op grond van de Wet op de ondernemingsraden. 3. In afwijking van het eerste lid heeft de ambtenaar over de uren waarop hij met recht op gehele of gedeeltelijke doorbetaling van bezoldiging wegens ziekte geen arbeid verricht, aanspraak op: basisvakantieverlof overeenkomstig artikel D.5; aanvullend vakantieverlof overeenkomstig artikel D.5, voor zover het de eerste 26 weken van verhindering wegens ziekte om arbeid te verrichten betreffen, waarbij werkhervatting van 4 weken of minder geen nieuwe periode van 26 weken inluidt. 4. De aanspraak op basisvakantieverlof vervalt 12 maanden na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan, tenzij de ambtenaar tot aan dat tijdstip redelijkerwijs niet in staat is geweest om dit vakantieverlof op te nemen. 5. De aanspraak op basisvakantieverlof dat niet ingevolge het vierde lid vervalt en de aanspraak op aanvullend vakantieverlof vervallen na verloop van 5 jaren na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan.

Rechtspraak bij dit artikel