Een grondroerder maakt op verzoek van het college van burgemeester en
wethouders bij de aanleg of instandhouding van kabels en/of leidingen in
openbare gronden zoveel mogelijk (mede)gebruik van bestaande, hetzij
door overige netbeheerders dan wel door of in opdracht van het college
van burgemeester en wethouders aangelegde, voorzieningen. Indien dit
technisch haalbaar is en medegebruik geen belemmering vormt voor de
veiligheid, toegankelijkheid en leveringszekerheid. Het vooroverleg als
bedoeld in artikel 5, tweede lid, dan wel een door het college van
burgemeester en wethouders geïnitieerd overleg naar aanleiding van een
aanvraag als bedoeld in artikel 5, eerste lid, is er mede op gericht te
bepalen of en zo ja langs welke delen van het tracé gebruik kan worden
gemaakt van bestaande voorzieningen als bedoeld in het eerste lid.
Indien een netbeheerder een redelijk aanbod wordt gedaan om gebruik te
maken van vooraangelegde voorzieningen, zoals mantelbuizen, kabelgoten
of kabel- en leidingentunnels, is de netbeheerder verplicht om voor de
aanleg of uitbreiding van zijn netwerk van deze voorzieningen gebruik te
maken. Indien de openbare gronden geen ruimte bieden voor de aanleg van
nieuwe kabels en/of leidingen, dient de grondroerder een alternatief
tracé te kiezen.
Hoofdstuk 2:
Artikel 9
(Mede)gebruik van voorzieningen en vooroverleg
Onderdeel van Algemene verordening ondergrondse infrastructuren