Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 10

Berekening loonkosten

Onderdeel van Verordening REP-SNN

1. Voor de berekening van de subsidiabele loonkosten kan de aanvrager kiezen uit: de loonkosten-plus-overhead-systematiek, opgenomen in lid 2 de vaste-uurtarief-systematiek, opgenomen in lid 3, of een andere door het Rijk, Rijksinstantie of de Europese Commissie aanvaarde en gebruikelijke methode, opgenomen in lid 4. 2. Indien de aanvrager kiest voor de loonkosten-plus-overhead-systematiek, worden de subsidiabele kosten berekend op basis van het brutoloon volgens de loonstaat van de betrokken medewerkers, verhoogd met de wettelijke dan wel op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van 1.650 productieve uren per jaar bij een voltijds dienstverband van 40 uren, vermeerderd met een vaste opslag voor indirecte kosten van 30%. Per medewerker zijn jaarlijks maximaal 1.650 gedeclareerde uren subsidiabel. 3. Indien de aanvrager kiest voor de vaste-uurtarief-systematiek, worden de subsidiabele kosten berekend door het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 40,--, waarin zowel de directe loonkosten als daaraan toegerekende indirecte kosten zijn begrepen. 4. Indien de aanvrager kiest voor een door het Rijk, Rijksinstantie of de Europese Commissie aanvaarde methode, dan dient de aanvrager bewijsstukken van aanvaarding te overleggen. 5. De loonkosten per fte zijn, in voor komende gevallen, slechts subsidiabel voor zover deze voldoen aan de ‘Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector’.

Rechtspraak bij dit artikel