Naar hoofdinhoud

Afdeling III › Hoofdstuk 6

Artikel 6.1

Criteria persoonsgebonden budget

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning Enschede 2015

De cliënt heeft onverminderd artikel 2.3.6 vijfde lid van de wet recht op een persoonsgebonden budget indien: de cliënt naar oordeel van het college op eigen kracht, al dan niet met hulp uit zijn sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger, voldoende in staat is te achten tot: - een redelijke waardering van zijn belangen, en - het op een verantwoorde manier uitvoeren van de aan het persoonsgebonden budget verbonden taken; de cliënt weet te motiveren waarom hij de maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wenst, bijvoorbeeld door de motivering op te nemen in het budgetplan; naar oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen voldoen aan de kwaliteitseisen van de wet en in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt toegekend. Aan het persoonsgebonden budget zijn de volgende verplichtingen verbonden: de cliënt stelt een budgetplan op. Het college kan aanvullende voorwaarden stellen aan de inhoud van dit plan; het persoonsgebonden budget mag niet worden besteed aan een voorziening die voor de cliënt algemeen gebruikelijk wordt geacht; uit het persoonsgebonden budget mogen geen personen uit het sociale netwerk worden betaald, tenzij dat leidt tot effectievere en meer doelmatige ondersteuning; uit het persoonsgebonden budget mogen in ieder geval geen administratieve bemiddelingsbureaus, andere tussenpersonen of belangenbehartigers worden betaald; het persoonsgebonden budget moet binnen zes maanden na toekenning zijn aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden; de cliënt die is aangewezen op maatschappelijke ondersteuning besteedt het persoonsgebonden budget niet aan een huisgenoot die in beginsel de gebruikelijke hulp op zich zou moeten nemen, maar daartoe niet in staat is wegens overbelasting of dreigende overbelasting. De cliënt aan wie een persoonsgebonden budget is toegekend sluit met de aanbieder een zorgovereenkomst, waarin onder andere afspraken zijn opgenomen over de wijze van declareren: Een declaratie van een aanbieder bevat in ieder geval: een overzicht van de dagen waarop is gewerkt; het uurtarief; het Burgerservicenummer en de naam en het adres van de cliënt; het nummer waarmee die aanbieder staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Hiernaast wordt de declaratie door de aanbieder ondertekend. Het college kan andere eisen stellen aan de in het vorige lid bedoelde zorgovereenkomst indien het persoonsgebonden budget wordt besteed aan een persoon uit het sociale netwerk van de cliënt of aan een persoon die niet als beroepskracht wordt aangemerkt. In de zorgovereenkomst, als bedoeld in het derde lid, sluit de aanbieder zich aan bij de afspraken die zijn vastgelegd in het budgetplan over de kwaliteit en het resultaat van de maatschappelijke ondersteuning. De cliënt aan wie een persoonsgebonden budget is toegekend zorgt er voor dat een aanbieder op wie het Arbeidstijdenbesluit niet van toepassing is, niet meer dan veertig uur in één week voor hem werkzaamheden verricht. Het college stelt nadere regels in het Besluit over de voorwaarden als het persoonsgebonden budget aan een hulpmiddel, vervoersvoorziening of woningaanpassing wordt besteed.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel