**1..** Een lid van de raad, een wethouder, de burgemeester of de secretaris, die door de raad is aangewezen tot lid van het algemeen bestuur van een openbaar lichaam of van een ander gemeenschappelijk orgaan, ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen, heeft het recht om – in aansluiting op de behandeling van de lijst van ingekomen stukken òf voor het sluiten van de vergadering – verslag te doen over zaken die in het algemeen bestuur als bedoeld aan de orde zijn. Een door de raad gewenste bespreking van dit verslag kan de voorzitter verwijzen naar de betreffende commissie.
**2..** Ieder lid van de raad kan aan een persoon als bedoeld in het eerste lid, evenals aan ieder ander persoon die door de raad is aangewezen tot lid van een in het eerste lid bedoeld openbaar lichaam of orgaan schriftelijke vragen stellen. De regels voor het stellen van schriftelijke vragen, vastgesteld in artikel 30, zijn van overeenkomstige toepassing.
**3..** Wanneer een lid van de raad een persoon als bedoeld in het eerste lid, evenals een ander persoon die door de raad is aangewezen tot lid van een in het eerste lid bedoeld openbaar lichaam of orgaan ter verantwoording wenst te roepen over zijn wijze van functioneren als zodanig, besluit de raad over het toestaan daarvan. De regels voor het vragen van inlichtingen, vastgesteld in artikel 32, zijn van overeenkomstige toepassing.
**4..** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op andere organisaties of instituties, waarin de raad één van zijn leden heeft benoemd.
**5..** Het lid moet de vergoedingen voor het bijwonen van de vergaderingen van het bestuur van de instelling, waarin hij is benoemd, in de gemeentekas storten.
Paragraaf 5
Artikel 38
Wijze van vervulling van het lidmaatschap van besturen van instellingen
Onderdeel van Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad