Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2.4.1

Proportionaliteit en subsidiariteit

Onderdeel van BIBOB Beleidslijn gemeente De Ronde Venen

In de wet wordt getracht de juiste balans te vinden tussen de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van het openbaar belang. Deze proportionaliteitgedachte brengt met zich mee dat niet voor alle bestuursbesluiten de mogelijkheid is opengesteld om een BIBOB-advies te vragen. Een andere inperking betreft de relatie tussen de aard van de strafbare feiten die in het onderzoek zijn gebleken en het te nemen bestuursbesluit. Niet alles is van belang; een winkeldiefstal is niet direct relevant voor de vraag of aan de betrokkene een milieuvergunning kan worden verleend. Alleen strafbare feiten die relevant zijn voor de activiteiten die kunnen worden ontplooid bij het gebruiken van de subsidie of vergunning mogen worden meegewogen. Artikel 3 van de Wet BIBOB houdt samengevat in dat de gemeente een vergunning, subsidie of gunning (van een aanbesteding) kan weigeren of intrekken wanneer er sprake is van ernstig gevaar dat deze mede gebruikt zullen worden voor: het benutten van voordelen uit strafbare feiten; en/of het plegen van strafbare feiten. Een derde weigeringsgrond in artikel 3 is dat een vermoeden bestaat dat een strafbaar feit is gepleegd voor het verkrijgen van een besluit. Artikel 4 van de Wet BIBOB biedt de mogelijkheid om – alleen ingeval de gemeente onderzoekt of een bestaande vergunning moet worden ingetrokken – het weigeren om een BIBOB-formulier in te vullen of om aanvullende gegevens te verschaffen als ernstig gevaar aan te merken. Het moet dan wel gaan om een evidente weigering. Dit wordt aangenomen als iemand, nadat hij in de gelegenheid is gesteld om zijn verzuim te herstellen en vooral als hem daarbij te kennen is gegeven dat niet meewerken reeds een weigeringsgrond inhoudt, na een redelijke termijn nog steeds geen volledig ingevuld formulier en/of bijlagen heeft aangeleverd. Weigert een betrokkene om bij de aanvraag van een beschikking, de wijziging of verlening daarvan het formulier in te vullen of gegevens te verschaffen, dan kan toepassing worden gegeven aan artikel 4:5 van de Awb, dat de mogelijkheid biedt om aanvragen buiten behandeling te laten. Er moet voor een weigering sprake zijn van een redelijk vermoeden van strafbaar handelen. Daarnaast moeten de ernst van de feiten en de aard van de relatie tot de feiten worden gewogen. Het maakt verschil of iemand zelf strafbare feiten heeft gepleegd of gaat plegen, of dat iemand met wie hij een zakelijke relatie dat doet. Voor witwassen en anderszins benutten van uit strafbare feiten verkregen middelen is daarnaast de grootte van het verkregen of te verkrijgen voordeel relevant; voor het plegen van strafbare feiten met de verkregen beschikking (bijvoorbeeld milieudelicten) het aantal gepleegde strafbare feiten. Ook de mate van “hardheid” van de informatie is van belang: zo heeft een rechtbank bepaald dat “het enkel door bureau BIBOB als betrouwbaar gekwalificeerde registratie in het register zware criminaliteit niet overtuigt van ernstig vermoeden van ernstig gevaar”. Daarbij werd meegewogen dat de broninformatie voor dit register niet kon worden geverifieerd. Het subsidiariteitsbeginsel brengt met zich mee dat pas advies kan worden gevraagd aan het bureau BIBOB als de eigen mogelijkheden zijn uitgeput. Zo moet altijd eerst worden gekeken of er niet een andere weigeringsgrond bestaat, bijvoorbeeld op grond van de Drank- en Horecawet of de APV. Ook moet de gemeente zelf een zo’n volledig mogelijke BIBOB-toets doen alvorens het bureau BIBOB in te schakelen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel