De raad stelt een lid van de rekenkamercommissie op
non-activiteit indien:
hij zich in voorlopige hechtenis bevindt;
hij bij een nog niet onherroepelijk geworden
rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld,
dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is
opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
hij onder curatele is gesteld, in staat van
faillissement is verklaard, surseance van betaling heeft
verkregen of wegens schulden is gegijzeld ingevolge een
nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
De raad kan een lid van de rekenkamercommissie op non-activiteit
stellen, indien tegen hem een gerechtelijk onderzoek ter zake
van een misdrijf wordt ingesteld of indien er een ander ernstig
vermoeden is van het bestaan van feiten en omstandigheden die
tot ontslag, anders dan op de gronden vermeld in artikel 5,
eerste lid, onder a. en tweede lid, zouden kunnen leiden.
De raad beëindigt de non-activiteit zodra de grond voor de
maatregel is vervallen, met dien verstande dat in een geval als
bedoeld in het tweede lid de non-activiteit in ieder geval
eindigt na zes maanden. In dat geval kan de raad de maatregel
telkens voor ten hoogste drie maanden verlengen.