Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige en/of zijn
ouders en/of cliëntondersteuner, zo spoedig mogelijk en voor
zover nodig:
De aard en ernst van de opgroei- of opvoedingsproblemen,
de psychische problemen en stoornissen.
de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid,
ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het
probleem of de hulpvraag;
het gewenste resultaat van het verzoek om
jeugdhulp;
het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of
met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing
voor de hulpvraag te vinden;
de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere
voorziening;
de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met
gebruikmaking van een overige voorziening;
de noodzaak om een individuele voorziening te
verstrekken;
de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele
voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op
het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke
ondersteuning, of werk en inkomen;
hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige
gezindheid, de levensovertuiging en de culturele
achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, en
de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van
een pgb, waarbij de jeugdige of zijn ouders in
begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over de
gevolgen van die keuze.
In de gevallen bedoeld in artikel 8.2.1 van de wet informeert
het college de ouders dat een ouderbijdrage is verschuldigd en
hoe deze bijdrage wordt geïnd.
Het college informeert de jeugdige of zijn ouders over de gang
van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de
vervolgprocedure en vraagt hen toestemming om hun
persoonsgegevens te verwerken.
Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien
van een gesprek.
Als de jeugdige en/of zijn ouders een persoonlijk plan als
bedoeld in artikel 5 eerste lid aan het college heeft
overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek,
bedoeld in het eerste lid.