Naar hoofdinhoud
Algemeen Hetgeen bij artikel 9 onder “Algemeen” is beschreven geldt ook voor dit artikel. Niet nakomen van de niet geüniformeerde arbeidsverplichtingen In het onderhavige artikel zijn de verlagingen opgenomen die betrekking hebben op het niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling. Daarbij worden drie categorieën onderscheiden. Bij deze indeling is er van uitgegaan dat de ernst van het feit toeneemt naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Met de toe te passen verlaging bij de betreffende verwijtbare gedragingen wordt beoogd om de belanghebbende alsnog tot het gewenste gedrag te bewegen. Met het oog hierop zal enige tijd na het verlagingsbesluit een nieuw onderzoek dienen te worden gehouden. Als dan blijkt dat de klant in zijn gedrag volhardt, dient opnieuw een verlagingsbesluit te worden genomen waarbij de duur van de verlaging op grond van recidive wordt verdubbeld. Dit overeenkomstig artikel 11, tweede lid van de verordening. Daarna dienen eventuele verdere individuele verlagingsbesluiten te worden genomen onder toepassing van artikel 11, derde lid van de verordening. De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende nakomen van diverse verplichtingen. Artikel 18, tweede lid, van de WWB zoals dat luidde vóór 1 januari 2015 bepaalt dat het college moest afstemmen als een belanghebbende de verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het huidige artikel 18, tweede lid, van de wet wordt dit gewijzigd in "het niet nakomen van de verplichtingen". Het woord "onvoldoende" valt hiermee weg. Gemeend wordt dat de wetgever hiermee echter geen inhoudelijke wijziging heeft beoogd en dat dit moet worden gelezen als het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen. Om onduidelijkheid hierover te voorkomen is daarom in artikel 10 neergelegd dat sprake is van een verwijtbare gedraging bij het niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen. De eerste categorie omvat de verplichting om zich als werkzoekende in te schrijven bij het UWV en het tijdig verlengen van deze registratie. De tweede categorie Onderdeel a In deze categorie is opgenomen het niet dan wel onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak. Dit onderdeel is als verplichting opgenomen in artikel 9, eerste lid, onderdeel b van de participatiewet. Met betrekking “meewerken” wordt opgemerkt dat dit in zijn algemeenheid meer omvat dan alleen gevolg geven voor een uitnodiging voor een gesprek. Net als bij onderdeel b. geldt ook hier dat bij niet nakoming een verlaging van de uitkering aan de orde is en geen opschorting van de uitkering. Het niet ondertekenen en/of tijdig terugsturen van het plan van aanpak is - net als onder de WWB - niet als verwijtbare gedraging opgenomen. De reden hiervan is dat het ondertekenen en terugsturen van een voor de belanghebbende opgesteld individueel plan van aanpak naar werk ten onrechte de suggestie wekt dat de belanghebbende met de in het plan van aanpak opgenomen verplichtingen of de daarin opgenomen voorziening zou moeten instemmen. Deze instemming is echter niet vereist. Artikel 9, eerste lid, van de participatiewet bepaalt namelijk dat de (in een plan van aanpak opgenomen) verplichtingen inzake inschakeling in het arbeidsproces, waaronder begrepen het gebruik maken van een aangeboden voorziening, van rechtswege gelden en wel vanaf de dag van melding bij het UWV. Pas als de belanghebbende weigert de arbeidsverplichtingen na te komen of weigert mee te werken aan de uitvoering van een ingezette voorziening voor toeleiding naar werk, dient een verlaging op de uitkering te worden toegepast. Opgemerkt wordt dat de inhoud van een individueel plan van aanpak moet worden aangemerkt als een onderdeel van de beschikking inzake het verlenen of voortzetten van bijstand. Dit betekent dat hiertegen een bezwaarschrift kan worden ingediend. Onderdeel b Met betrekking tot onderdeel b van dit artikel wordt verwezen naar punt 10. van de algemene toelichting. Dit onderdeel is bijvoorbeeld van toepassing op het bijwonen van een voorlichtingsbijeenkomst op het Werkplein of een gesprek met een casemanager Werk & Uitstroom. Met name bij dit onderdeel kunnen bij de casemanager Werk & Uitstroom aanwijzingen ontstaan voor een vermoeden van uitkeringsfraude. In dit geval dient contact te worden opgenomen met de casemanager Inkomen voor nader onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering. Als hiertoe aanleiding is dient in overleg een melding aan het team Bijzonder Onderzoek te worden gedaan. Daarbij is het aan de casemanager Inkomen respectievelijk Bijzonder Onderzoek om de uitkering al of niet op te schorten en een hersteltermijn op te leggen. Onderdeel c De verwijtbare gedraging om zich niet - op advies van een arts - te onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard spreekt voor zich. Deze verwijtbare gedraging sluit overigens volledig aan bij het bepaalde in artikel 55 van de participatiewet Onderdeel d en e Daarnaast bevat deze categorie de verwijtbare gedraging bij het niet dan wel onvoldoende nakomen van de verplichtingen die gelden bij het zorgtraject en als niet dan wel onvoldoende naar vermogen opgedragen onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden worden verricht. Dit betreft de tegenprestatie. Onderdeel f Ten slotte is de verlaging zoals genoemd in artikel 9a, twaalfde lid, van de participatiewet in deze categorie opgenomen. Dit betreft de situatie als de ontheffing bij alleenstaande ouders op grond van artikel 9a, vijfde lid, onderdeel d, van de participatiewet, wordt ingetrokken omdat uit houding en gedragingen ondubbelzinnig blijkt dat de alleenstaande ouder zijn verplichtingen van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de participatiewet, niet wil nakomen. Dit betreft de re-integratieverplichting. De derde categorie Onderdeel a In deze categorie is de verplichting tot het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid (de sollicitatieverplichting) in de gemeente Krimpen aan den IJssel opgenomen. Dit vloeit voort uit hetgeen hiervoor bij de toelichting op artikel 9, onder het kopje “Niet nakomen van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen” is vermeld. Ter zake wordt hier naar verwezen. Onder het niet nakomen van de sollicitatieverplichting valt ook het onvoldoende of onvoldoende breed solliciteren. Onderdeel b In deze categorie gaat het om het niet behouden van werk als zelfstandige. Het niet aanvaarden en behouden van algemeen geaccepteerde arbeid valt onder de geüniformeerde arbeidsverplichtingen van artikel 18, vierde lid, van de participatiewet. Onderdeel c Ook valt onder deze categorie de bepaling zoals die is opgenomen in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de participatiewet. Deze houdt in dat bij jongeren tot 27 jaar bij de vaststelling van het recht op algemene bijstand rekening wordt gehouden met de houding en gedragingen van de jongere gedurende zijn zoekperiode van vier weken. De jongere is verplicht gedurende de eerste vier weken na de melding actief te zoeken naar werk en opleidingsmogelijkheden. Heeft de jongere hiertoe pogingen verricht, maar naar het oordeel van het college onvoldoende, dan kan een maatregel worden opgelegd. Dit geldt ook voor de jongere als hij een partner van 27 jaar of ouder heeft. Dit staat in het vijfde lid van de participatiewet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel