Naar hoofdinhoud
Algemeen De Participatiewet stelt werk boven uitkering. Hoofddoelstelling van het activerend arbeidsmarktbeleid van de gemeente Krimpen aan den IJssel is dat uitkeringsgerechtigden zo snel mogelijk weer via reguliere arbeid in hun eigen bestaan kunnen voorzien. De gemeente Krimpen aan den IJssel wil dit bereiken door het voeren van een krachtig arbeidsmarktbeleid. Instroombeperking, activering, uitstroombevordering en handhaving zijn dan ook de belangrijkste pijlers van het Krimpense beleid. Voor elke uitkeringsgerechtigde wordt vanuit een sluitende keten van dienstverlening nagegaan wat het perspectief is op uitstroom naar regulier werk en op welke wijze dit door middel van inzet van gemeentelijke voorzieningen kan worden gerealiseerd. De voorzieningen die de gemeente inzet ter ondersteuning van de inschakeling in het arbeidsproces omvatten een scala van instrumenten. Ter zake wordt verwezen naar betreffende verordening en beleidsregels. De participatiewet stelt de eigen verantwoordelijkheid van de burger centraal om zelfstandig te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Aan het recht op bijstand is dan ook onlosmakelijk de plicht tot werkaanvaarding verbonden. Voorts is de klant verplicht om actief medewerking te verlenen aan onderzoeken, scholing en/of activiteiten die ertoe kunnen bijdragen dat de kansen op het verkrijgen van betaald werk worden vergroot. Het niet nakomen van verplichtingen dient zonder meer gevolgen te hebben voor de uitkering. Opgemerkt wordt dat langer verblijf in het buitenland dan op grond van de participatiewet is toegestaan, op zich geen reden is om een verlaging op de uitkering toe te passen. In een dergelijke situatie kan de uitkering alleen worden verlaagd als de belanghebbende hierdoor zijn arbeidsinschakeling dan wel re-integratie heeft belemmerd. Het langer verblijf in het buitenland moet voor het opleggen van een verlaging altijd in verband worden gebracht met het niet nakomen door de belanghebbende van de arbeidsplicht of de re-integratieplicht. Of sprake is van schending van deze verplichtingen moet blijken uit onderzoek van de medewerker die het traject naar werk uitvoert. Dit kan bijvoorbeeld een re-integratiebedrijf, een scholingsinstituut of de casemanager Werk & Uitstroom zijn. Het soort verplichting dat door het langer verblijf in het buitenland niet of niet behoorlijk is nagekomen, zal derhalve bepalend zijn voor de zwaarte van de op te leggen verlaging. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat over de periode dat de belanghebbende langer in het buitenland verblijft dan op grond van de participatiewet is toegestaan, geen recht op bijstand bestaat. Niet nakomen van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen In de participatiewet is de verlaging bij schending van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen in alle gevallen 100%. Daarin heeft de gemeente geen keuze. De gemeente heeft slechts een keuze in de duur van de verlaging, die minimaal één maand en maximaal drie maanden kan bedragen. Het direct bij een eerste verwijtbare gedraging toepassen van een verlaging van 100% van drie maanden staat niet in verhouding tot het verwijtbare gedrag. Bovendien geldt (artikel 18, zesde lid, van de participatiewet) dat bij recidive (van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen) binnen 12 maanden de verlaging langer moet duren dan bij de eerste verwijtbare gedraging is opgelegd, maar niet langer mag zijn dan drie maanden. De aanspraak op bijstand heeft tot gevolg dat het volledig en langdurig weigeren van bijstand wegens niet nakomen van verplichtingen een zeer ingrijpend besluit omvat. Zeker omdat bijstand de laatste voorziening is waar iemand een beroep op kan doen. Daarom mag een besluit tot het volledig weigeren van bijstand dan ook niet lichtvaardig worden genomen. Daarom wordt - mede gelet op het uitgangspunt in de Kadernota Participatiewet - bij een eerste verwijtbare gedraging van het niet naleven van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen een verlaging van 100 procent gedurende één maand opgelegd. Bij een tweede verwijtbare gedraging van één van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen binnen 12 maanden na bekendmaking van de eerdere verwijtbare gedraging geldt een verlaging van 100 procent gedurende twee maanden. Dit betreft de uitwerking van artikel 18, zes lid, van de participatiewet. Als daarna sprake is van recidive moet op grond van artikel 18, zevende en achtste lid, van de participatiewet, telkens een verlaging van 100 procent gedurende drie maanden worden opgelegd. Let bij de toepassing van een verlaging op grond van dit artikel op het gestelde onder artikel 2, tweede lid, en artikel 6, en de toelichtingen daarop. Met betrekking tot de geüniformeerde arbeidsverplichtingen van artikel 18, vierde lid, van de participatiewet wordt het volgende opgemerkt. Op grond van artikel 9 van de participatiewet gelden de arbeidsverplichtingen vanaf de dag van melding bij het UWV. Voor een aantal geüniformeerde arbeidsverplichtingen van artikel 18, vierde lid, van de participatiewet, geldt dat deze eerst opgelegd moeten worden aan de belanghebbende. Zo spreekt artikel 18, vierde lid, onderdeel b, van de participatiewet, bijvoorbeeld over “het uitvoering geven aan de door het college opgelegde verplichting om ingeschreven te staan bij een uitzendbureau”. Uit het woordje “opgelegde” blijkt dat deze verplichting niet van rechtswege geldt. Het moet eerst opgelegd worden. Dit moet worden opgenomen in het plan van aanpak. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor “het gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering”. Dit betreft ook een concreet omschreven, specifieke verplichting, die eerst een nader, formeel handelen van het college vereist, namelijk het daadwerkelijk aanbieden van de voorziening in een plan van aanpak c.q. een beschikking. Dat de belanghebbende de geüniformeerde arbeidsverplichting “het naar vermogen verkrijgen, aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid niet mag belemmeren door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag”, niet mag schenden zonder dat deze eerst specifiek door het college wordt opgelegd, is dan wel weer vanzelfsprekend. Het mag immers als “normaal” worden verondersteld dat de belanghebbende zich netjes, verzorgd en positief opstelt om werk te krijgen. In artikel 18, vierde lid, onderdelen c tot en met e, van de participatiewet, staat het volgende: “Het college verlaagt in ieder geval de bijstand bij het niet nakomen door de belanghebbende van de volgende verplichtingen: het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid in een andere dan de gemeente van inwoning, alvorens naar die andere gemeente te verhuizen; bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale reisduur van 3 uur per dag, indien dat noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; bereid zijn om te verhuizen, indien het college is gebleken dat er geen andere mogelijkheid is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, en de belanghebbende een arbeidsovereenkomst met een duur van tenminste een jaar en een netto beloning die ten minste gelijk is aan de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm, kan aangaan;” Met vorenstaande wettekst beoogt de wetgever een bepaalde volgorde. Bij het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid solliciteert de belanghebbende eerst op vacatures binnen zijn eigen gemeente, dan in andere gemeenten c.q. de regio, daarna moet hij bereid zijn 3 uur per dag per openbaar vervoer te reizen. Als dat vervolgens niets oplevert moet de belanghebbende verhuizen. De toepassing behoeft een nadere uitwerking door het college in het plan van aanpak. Er kan immers niet van een belanghebbende verlangd worden dat hij direct gaat verhuizen voor een nieuwe baan. Gezien de (arbeidsmarkt)regio waarin de gemeente Krimpen aan den IJssel zich bevindt, ligt het voor de hand dat bij het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid de klant direct in de regio Rijnmond naar een passende baan moeten zoeken. Dit moet dan expliciet in het plan van aanpak worden opgenomen. In de toelichting op deze wettekst heeft de wetgever onder meer het volgende opgenomen: “Verhuizen kan een ingrijpende gebeurtenis zijn in het persoonlijk en sociaal leven. Zo bezien ligt het dan ook in de rede om rekening te houden met de gevolgen van een verhuizing voor gezin en sociaal netwerk. Als het college vast stelt dat verhuizing zou leiden tot ontwrichting van het gezin, is er geen sprake van verwijtbaarheid als de bijstandsgerechtigde niet aan de verhuisverplichting voldoet. Waar het gaat om tijdelijk werk, speelt de duur van de tijdelijkheid een rol, alsmede de kansen om aansluitend een vaste aanstelling of andere baan te krijgen. Naar de mening van de regering spelen ook de aard van de werkzaamheden, de beschikbaarheid van werk binnen de reistijd van drie uur en de duur van de werkloosheid een rol. Bij het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid hangt het sterk van de situatie op de lokale arbeidsmarkt af welke mogelijkheden er voor de bijstandsgerechtigde zijn om aan deze verplichting te voldoen. Uniformering zou geen recht doen aan de verschillen tussen lokale arbeidsmarkten. Bij de verplichting om bereid te zijn om te reizen over een afstand met een totale reisduur van drie uur per dag of om te verhuizen, gaat het juist niet om de lokale arbeidsmarkt. Daarom acht de regering harmonisering van deze verplichting en de bijhorende maatregel wel op zijn plaats. Het is aan het college om hieraan in het individuele geval invulling te geven; de verhuisplicht is er (alleen) als die, gelet op de arbeidsmarktpositie van de bijstandsgerechtigde, noodzakelijk is om een verwijtbaar onnodig beroep op bijstand te voorkomen. Voorts dient het college rekening te houden met de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. De reisduur van drie uur per dag is gebaseerd op de jurisprudentie (WW).” “In het wetgevingsoverleg van 16 december 2013 is door meerdere woordvoerders aandacht gevraagd voor de in het wetsvoorstel opgenomen verplichting tot verhuizen indien dat noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerd arbeid. Er ontstond ten onrechte de indruk dat voor wat betreft de verhuisplicht, het college nu zo ongeveer altijd en aan iedere bijstandsgerechtigde voor iedere parttime baan een verhuisplicht zou kunnen opleggen. Omdat dit uitdrukkelijk niet de bedoeling van de regering is, voorziet de nota van wijziging in een aanpassing van de thans in het voorgestelde artikel 18, vierde lid, onderdeel d, opgenomen plicht tot reizen en plicht te verhuizen, door deze op te splitsen in twee onderdelen. Deze splitsing maakt het mogelijk om de plicht te verhuizen te clausuleren. De reisverplichting blijft ongewijzigd. Het opleggen van een verhuisplicht is een ultimum remedium. Allereerst dienen de mogelijkheden van de lokale en regionale arbeidsmarkten volledig te zijn onderzocht. Anders gezegd: onderdeel d (reisduur van 3 uur per dag met het openbaar vervoer) dient geen uitkomst te bieden. Vervolgens moet het gaan om een arbeidsovereenkomst met een duur van ten minste een jaar en een netto beloning die tenminste gelijk is aan de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm. Door te verhuizen kan de belanghebbende zijn bijstandsafhankelijkheid dus beëindigen. Naast de toepasselijkheid van deze basale voorwaarden is het bij het door het college hanteren van dit lid en het vaststellen van de verwijtbaarheid, bedoeld in het negende lid, van groot belang dat het let op de specifieke omstandigheden van het geval. Het college heeft hier nadrukkelijk afwegingsruimte waarbij de individuele omstandigheden een grote rol spelen. Verhuizen kan een ingrijpende gebeurtenis zijn in het persoonlijk en sociaal leven. Het ligt daarom in de rede dat het college bij de besluitvorming ter zake onder andere rekening houdt met: de duur van de werkloosheid, mogelijke (ontwrichtende) gevolgen voor het gezin en sociaal netwerk, de tijdelijkheid van de arbeid, alsmede de kansen om aansluitend een vaste aanstelling of andere arbeid te krijgen en de aard van de arbeid.” Voor een nadere invulling over onder meer deze arbeidsverplichtingen wordt verwezen naar de re-integratieverordening en de onderliggende beleidsregels. Lid 2 Van recidive bij de geüniformeerde arbeidsverplichtingen is geen sprake als de eerste verwijtbare gedraging een schending betrof van de niet geüniformeerde arbeidsverplichtingen of een ander verwijtbaar gedrag dat volgens deze verordening een verlaging moet opleveren.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel