Naar hoofdinhoud
Lid 1De verplichtingen van artikel 9 van de participatiewet gelden pas vanaf de datum van melding bij het UWV. Voor verwijtbare gedragingen die vóór de bijstandsperiode plaatsvinden kan geen verlaging worden opgelegd op basis van artikel 9 van de participatiewet. Aan de participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat een ieder in eerste instantie in zijn eigen bestaan dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op de bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal moeten doen om een beroep op bijstand te voorkomen. Gebeurt dit niet of in onvoldoende mate, dan is er veelal sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de participatiewet. Onder tekortschietend besef van verantwoordelijkheid ten aanzien van de besteding van eigen middelen valt onder andere, het door eigen schuld of toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid of geen werk als zelfstandige behouden, verwijtbaar verlies van eigen inkomsten (bijvoorbeeld het afstand doen van het recht op alimentatie) of het door eigen schuld of toedoen geen recht (meer) hebben op een voorliggende voorziening (bijvoorbeeld een WW-uiktering). Ook het niet dan wel in onvoldoende mate solliciteren vóór de bijstandsperiode valt onder dit artikel. Het is redelijk om tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als gevolg van verwijtbare werkloosheid, verwijtbaar verlies van een voorliggende voorziening en van eigen inkomsten in de tijd te beperken tot maximaal één jaar voorafgaande aan de aanvraag om bijstand. Lid 2 en 3 In dit lid wordt het op onverantwoorde wijze besteden van vermogen geregeld. Hieronder moet worden verstaan het onverantwoord (=te snel) interen van vermogen, onderbedeling bij echtscheiding, vermogen wegschenken op een moment dat redelijkerwijs was te voorzien dat binnenkort een beroep op bijstand zou moeten worden gedaan en verkoop van de woning beneden de marktwaarde. Bij betoond tekortschietend besef van verantwoordelijkheid moet een verlaging worden toegepast die wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag, gerelateerd aan de netto bijstand. Onder benadelingsbedrag dient te worden verstaan: de omvang van het vermogen of de voorziening waarmee de belanghebbende kortere of langere tijd buiten de bijstand zou zijn gebleven. Bij het interen van vermogen betekent dit dat de jurisprudentie wordt aangehouden waarbij geldt dat van verantwoord interen sprake is als maximaal anderhalf maal de bijstandsnorm wordt “verbruikt”. Maakt de belanghebbende zijn vermogen sneller op, dan is het verwijtbaar dat hij niet een langere tijd buiten de bijstand is gebleven. Een verlaging is dan op zijn plaats. Deze wordt toegepast op de bijstandsnorm. Voorbeeld De toe te passen verlaging bij onverantwoorde besteding van vermogen wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. Voorbeeld: de bijstandsnorm is 1.000 euro. Het onverantwoord ingeteerde vermogen (boven de vermogensgrens van artikel 34 van de participatiewet) bedraagt 12.000 euro. De belanghebbende mag 1,5 maal de norm interen. Dit betekent dat hij 1.000 euro x 1,5 = 1.500 euro per maand had mogen interen. Aangezien de belanghebbende nog een vermogen had te besteden van 12.000 euro: 1.500 euro, had hij nog acht maanden in zijn bestaan kunnen voorzien. Dit betekent dat de belanghebbende acht maanden eerder een beroep op bijstand doet. Het benadelingsbedrag voor de gemeente wordt dan acht maanden uitkering x 1.000 euro per maand, is 8.000 euro. De hoogte van de verlaging van 24 maanden, genoemd in onderdeel e, is gerelateerd aan jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Belanghebbende blijft in dat geval beschikken over een inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm. Voor het percentage van 80% is aansluiting gezocht bij de invorderingsmogelijkheden die de Belastingdienst heeft bij notoire wanbetalers. Artikel 19, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 biedt dan de mogelijkheid om de beslagvrije voet op 80% te bepalen. Lid 4 In dit lid gaat het om het door eigen schuld of toedoen geen recht meer hebben op een voorliggende voorziening, maar dan in de specifieke situatie dat de belanghebbende een beroep op bijstand moet doen omdat door de verrekening van een door een andere instantie opgelegde bestuurlijke boete in het kader van recidive van schending van de inlichtingenplicht de belanghebbende niet langer in zijn eigen onderhoud kan voorzien. De aanscherping handhaving is niet alleen van toepassing op de participatiewet, IOAW en IOAZ, maar ook op alle werknemers- en volksverzekeringen en op de kinderopvangtoeslag. Als er sprake is van recidive van schending inlichtingenplicht bij deze voorliggende voorzieningen, dan wordt de uitkering gedurende maximaal vijf jaar verrekend met de bestuurlijke boete zonder rekening te houden met de beslagvrije voet. Voor de participatiewet geldt een termijn van drie maanden, omdat dit het sluitstuk is van de sociale zekerheid. Hoe die verrekening in die drie maanden wordt uitgevoerd heeft de gemeenteraad vastgelegd in de verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive. Door deze verrekening van de boete bij een voorliggende voorziening zou de belanghebbende - bij onvoldoende eigen inkomen en vermogen (binnen het gezin) - een beroep moeten doen op het sluitstuk van de sociale zekerheid: de Participatiewet. Iemand die vanwege recidive wel recht heeft op een voorliggende voorziening die niet tot uitbetaling komt, kan vanaf dat moment aanspraak maken op bijstand. De voorliggende voorziening is namelijk niet meer passend en toereikend. Er bestaat wel formeel recht, maar het komt niet meer tot uitbetaling. Voorbeeld Belanghebbende ontvangt een WW-uitkering, maar geeft voor de tweede keer binnen vijf jaar ontvangen inkomsten niet op. De beslagvrije voet wordt nu op nihil gezet. Stel dat deze beslagvrije voet zes maanden op nihil blijft staan, omdat de boete pas na zes maanden is afgelost. In dat geval heeft iemand niets om in zijn levensonderhoud te voorzien. Hij kan nu een beroep doen op bijstand. Daarbij is het wel mogelijk om de uitkering te verlagen omdat belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond voor de voorziening in het bestaan. Hij had natuurlijk niet hoeven frauderen! In artikel 13, vierde lid van deze verordening wordt deze verlaging geregeld. Uitgaande van het feit dat de beslagvrije voet bij recidive binnen de participatiewet drie maanden op nihil mag worden gezet, wordt in deze verordening een verlaging van 100% van maximaal drie maanden opgenomen. Het kan natuurlijk zijn dat de beslagvrije voet bij de voorliggende voorziening over een kortere periode op nihil wordt gezet en bijvoorbeeld de WW-uitkering vanaf de tweede maand weer tot uitbetaling komt. Het is dan niet noodzakelijk om een verlaging gedurende drie maanden op te leggen. Dit te meer omdat de belanghebbende dan waarschijnlijk ook geen beroep meer hoeft te doen op de participatiewet. Op te merken valt nog dat als de beslagvrije voet bij een voorliggende voorziening op nihil wordt gesteld, dan kan een - bij ministeriële regeling bepaald - deel van zorgkosten, woonkosten en de kosten van kinderen worden vrijgesteld. Het vrij te laten deel kan afhankelijk worden gesteld van de leefsituatie. Wordt de beslagvrije voet op nihil gesteld en krijgt iemand als gevolg daarvan bijstand (met een mogelijke verlaging van 100% gedurende drie maanden), dan ontstaat de situatie dat iemand op papier twee (volledige) uitkeringen ontvangt. Dit heeft gevolgen voor de toeslagen, nu het jaarinkomen op papier heel hoog is. Er zal dus geen recht meer zijn op huur- en zorgtoeslag en kindgebonden budget waardoor de kosten van bestaan niet meer betaald kunnen worden. Om dit op te lossen is in artikel 31, tweede lid, onderdeel x van de participatiewet geregeld dat een gedeelte van de uitkering uit de voorliggende voorziening wordt vrijgelaten. Hiermee is beoogd het gemis aan de toeslagen te compenseren.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel