Lid 1
De participatiewet verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering diverse verplichtingen. Voor de toepassing van deze verordening zijn de verplichtingen inzake arbeidsinschakeling van artikel 9 van de participatie wet het belangrijkste. Deze zijn uitgewerkt in artikel 18, vierde lid, van de participatiewet (respectievelijk artikel 20 IOAW en artikel 20 IOAZ) en deze verordening.
Daarnaast vindt in artikel 13 en 14 van deze verordening een uitwerking plaats over het betoonde besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.
Lid 2
In deze verordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending van een verplichting betekenen, standaardverlagingen vastgesteld in de vorm van een vaste (procentuele) verlaging van de bijstandsnorm. In dit artikellid is de regel neergelegd dat bij een op te leggen verlaging altijd dient te worden geïndividualiseerd c.q. maatwerk moet worden geleverd. Dit betekent dat de op te leggen verlaging dient te worden afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende.
Bij elke op te leggen verlaging zal dan ook moeten worden nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardverlaging geboden is.
In artikel 18, tiende lid, van de participatiewet is bepaald dat het college een op te leggen of opgelegde verlaging moet afstemmen op de omstandigheden van een belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven. Dit, als dringende redenen daartoe noodzaken, gelet op bijzondere omstandigheden. Op grond van bijzondere omstandigheden kan het college besluiten de verlaging op een lager niveau, voor een kortere duur of op nihil stellen.
Het verdient aanbeveling om, als er aanleiding is om de standaard verlaging te matigen, om dit tot uitdrukking te brengen in het opleggen van een lager percentage.
In de toelichting op dit artikel staat in de participatiewet het volgende:
“De Wet werk en bijstand, maar ook de participatiewet, de IOAW en de IOAZ biedt het college de beleidsruimte om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden of de gezinssituatie van de bijstandsgerechtigde bij het vaststellen van de bijstand, de daaraan verbonden verplichtingen en de op te leggen of opgelegde maatregelen. De regering heeft het toepassen van het individualiseringsbeginsel bij een op te leggen maatregel verduidelijkt.
Het college is gehouden een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel af te stemmen op de omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, indien, naar zijn oordeel, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken (artikel 18, tiende lid, participatiewet). Met de aanvullende zinsnede “naar zijn oordeel” geeft de regering explicieter dan in het oorspronkelijke wetsvoorstel aan dat het college uitdrukkelijk de ruimte heeft om in individuele gevallen af te wijken van de standaard minimaal voorgeschreven hoogte en duur van de verlaging van de bijstand. Dit betekent dat de colleges - gelet op de bijzondere omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden middelen te verwerven - bevoegd zijn om in individuele gevallen te besluiten de maatregel op een lager niveau, voor een kortere duur of zelfs op nul vast te stellen. De nul-maatregel telt wel mee bij recidive.
Toepassing van dit artikellid vergt een individuele beoordeling, er is geen sprake van een algemene ontsnappingsclausule. Concreet betekent dit dat - ondanks dat een bepaalde (minimale) maatregel bij het niet-naleven van een geüniformeerde arbeidsverplichting wordt voorgeschreven - het college uitdrukkelijk moet beoordelen of de betreffende standaardmaatregel ook in dit individuele geval moet worden toegepast. Het is dus nadrukkelijk niet zo dat het college op voorhand is gehouden om bij de minste of geringste niet-nagekomen verplichting een bepaalde periode geen bijstand te verstrekken.”
Bij het beoordelen of een verlaging moet worden opgelegd, en zo ja welke, moeten telkens de volgende drie stappen worden doorlopen:
Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.
Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.
Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde.
De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage waarmee de bijstand wordt verlaagd.
De duur en zwaarte van de gedraging, de omvang van de gevolgen en de mate van opzet zouden aanleiding kunnen zijn voor het toepassen van een hogere of een lagere verlaging. Toepassing van het evenredigheidsbeginsel houdt in dat er evenredigheid dient te bestaan tussen de verlaging en de (ernst van) de gedraging.
Wat betreft de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt gewezen op het volgende:
De mate van verwijtbaarheid dient te allen tijde in de beoordeling te worden meegenomen. Hierbij dient de vraag te worden gesteld of en in hoeverre de belanghebbende op de hoogte was c.q. kon zijn van zijn verplichtingen. Ook de psychische gesteldheid van de belanghebbende dient in ogenschouw te worden genomen.
In artikel 18, negende lid, van de participatiewet en artikel 20 lid 3 IOAW en IOAZ is expliciet bepaald dat het college afziet van het opleggen van een verlaging indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. In een dergelijke situatie komt men derhalve niet eens aan individualisering toe. Hierbij moet met name aan duidelijke overmachtsituaties worden gedacht. Ter zake wordt ook verwezen naar de toelichting bij artikel 6, eerste lid.
Matiging van de opgelegde verlaging wegens persoonlijke omstandigheden: hiermee worden bedoeld die persoonlijke omstandigheden die los staan van de gedraging, maar die individualisering rechtvaardigen.
Door het in aanmerking nemen van de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende (en zijn gezin) wordt recht gedaan aan het individualiseringsbeginsel van artikel 18, eerste lid, van de participatiewet. Het is overigens aan de belanghebbende om deze verzachtende omstandigheden aannemelijk te maken.
Financiële omstandigheden spelen hierbij een grote rol.
In bijvoorbeeld de navolgende gevallen kan matiging wegens persoonlijke omstandigheden aan de orde zijn:
bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is.
deelname aan een schuldhulpverleningstraject dan wel aan het wettelijk schuldsaneringstraject ingevolge de WSNP.
HOOFDSTUK 6.
Artikel 2
Artikel 2
Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Krimpen aan den IJssel 2015