Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om een vergunning te weigeren, in te trekken of te wijzigen indien sprake is van één of meer van de in het eerste lid of tweede lid genoemde situaties.
Een vergunning kan worden ingetrokken indien de netbeheerder niet binnen een jaar is begonnen met het werk en in de situatie waarin de werkzaamheden langer dan een periode van zes maanden stil liggen. Ook in de situatie waarin de betreffende kabel of leiding definitief buiten gebruik wordt gesteld, kan de vergunning worden ingetrokken. In gevallen waarin kabels of leidingen nog wel worden onderhouden of waarbij sprake is van kabels of leidingen die nog in reserve worden gehouden zal er in beginsel geen sprake zijn van het intrekken van een vergunning.
De belangrijkste grond betreft het intrekken van de vergunning indien de netbeheerder de voorschriften van de verordening, de nadere regels zoals neergelegd in het Handboek Kabels & Leidingen en de vergunning(voorschriften) niet naleeft.
Onderdeel g is een vangnetbepaling, die het college de bevoegdheid geeft om in te grijpen indien er ernstige gevolgen voor gezondheid en milieu dreigen als gevolg van het in stand houden van de vergunning. Deze bevoegdheid kan echter als laatste middel gebruikt worden aangezien eerst moet worden bezien of de dreiging kan worden weggenomen door aanpassing van de vergunning of door het stellen van nadere eisen.
Onderdeel h betreft het geval indien er werken van openbaar belang en algemeen nut ter plaatse van de vergunde kabel of leiding moeten worden uitgevoerd, waardoor deze kabel of leiding niet kan blijven liggen of moet worden aangepast. Het betreft hier met name de uitvoering van gemeentelijke werkzaamheden. Gedacht kan worden aan de aanleg van een rotonde of het verplaatsen van een watergang.
Onderdeel i is beperkt tot de verkoop aan derden van gronden die gemeentelijk eigendom zijn en behoren tot de openbare ruimte. In die gevallen zal er voor het liggen van kabels of leidingen in deze gronden een zakelijk recht moeten worden gevestigd ten behoeve van de netbeheerder. De kosten voor het vestigen van een dergelijk zakelijk recht komen voor rekening van de koper van de betreffende gronden. In het geval de betreffende kabel of leiding met het oog op voorgenomen bouwplannen op deze gronden verlegd moet worden zal ook hiervoor een vergunning moeten worden aangevraagd door de netbeheerder.
De hoorplicht in lid 3 vloeit voort uit de eisen die de Algemene wet bestuursrecht stelt aan de zorgvuldige voorbereiding van besluiten.
Lid 4 geeft het college de bevoegdheid om aan het besluit tot intrekking of wijziging van de vergunning de verplichting te koppelen om de betreffende kabel of leiding te verleggen/verplaatsen of deze zelfs in zijn geheel te verwijderen. Wordt deze verplichting opgelegd dan geeft dit de netbeheerder vervolgens de mogelijkheid om een beroep te doen op de Verlegregeling, waarin de procedure en voorwaarden voor tegemoetkoming in de schade die netbeheerder door de opgelegde verplichting lijdt, is geregeld. Overigens zal per geval ook altijd worden bezien of verwijdering van kabel- of leidingdelen wel wenselijk is en ook technisch mogelijk is.
Hoofdstuk 2:
Artikel 2.3.
WEIGEREN, WIJZIGEN OF INTREKKEN VERGUNNING
Onderdeel van Verordening Ondergrondse Infrastructuur