1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg
aan te leggen, de
verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten,
aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins
verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
De vergunning wordt verleend
als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag,
indien de activiteiten zijn
verboden bij een bestemmingsplan,
beheersverordening, exploitatieplan of
voorbereidingsbesluit;
door het college in de overige gevallen.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor
overheden bij het uitvoeren van hun publieke
taak.
Het verbod geldt voorts niet voor zover in het
daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het
Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer
rijkswaterstaatswerken, de Provinciale
Wegenverordening, de Waterschapskeur, de
Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
Telecommunicatieverordening.
Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is
paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
beslissen) van toepassing.
Hoofdstuk 2. › Afdeling 5.
Artikel 2:11
(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Utrechtse Heuvelrug 2013 geconsolideerd