Gedragingen van een belanghebbende waardoor of een verplichting op grond
van de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37
en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende wordt
nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:
1.eerste categorie:
Bij de volgende gedraging wordt de uitkering gedurende één maand met
10% van de uitkeringsnorm verlaagd:
het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten
verlengen van de registratie.
2.tweede categorie:
Bij de volgende gedragingen wordt de uitkering gedurende één maand met
30% van de uitkeringsnorm
verlaagd:
het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de
mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, dan wel aan een onderzoek naar
geschiktheid voor scholing op opleiding.
3.derde categorie:
Bij de volgende gedragingen wordt de uitkering gedurende één maand met
50% van de uitkeringsnorm verlaagd:
het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college
aangeboden voorziening als bedoeld in
de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e,
van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de
artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste
lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen
doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging
van die voorziening;
het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de
verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste
lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet te willen
nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van
de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder
als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van
de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel
38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen;
het niet of onvoldoende verrichten van een door het college
opgedragen tegenprestatie naar vermogen
als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste
lid, onderdeel f, van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen;
vierde categorie:
Bij de volgende gedragingen wordt de uitkering gedurende één maand met
100% van de uitkeringsnorm verlaagd:
het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college
aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de
artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel
e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit heeft geleid
tot het geen doorgang vinden of
tot voortijdige beëindiging van die voorziening.
Hoofdstuk 2.
Artikel 9.
Gedragingen IOAW en IOAZ
Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ