Het college draagt uitkeringsgerechtigden op om naar vermogen
onbeloonde maatschappelijk
nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, te verrichten
als tegenprestatie. De op te
leggen tegenprestatie moet aan vier eisen voldoen:
naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
arbeidsmarkt;
niet zijn bedoeld als re-integratie instrument;
worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid
in de organisatie waarin ze
worden verricht; en
niet leiden tot verdringing.
Het college zet de tegenprestatie motiverend in, waarbij tegemoet
wordt gekomen aan het
individueel en collectief belang.
Artikel 2.
Inhoud van een tegenprestatie
Onderdeel van Verordening individuele tegenprestatie participatiewet, ioaw en ioaz 2015