Het college ziet af van een verlaging als:
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;
de gedraging meer dan drie jaar voor constatering daarvan door
het college heeft plaatsgevonden en voor die gedraging een
verlaging van het in artikel 5:53, eerste lid van de Algemene
wet bestuursrecht genoemde bedrag of minder kan worden opgelegd,
of
de gedraging meer dan vijf jaar voor constatering daarvan door
het college heeft plaatsgevonden en voor die gedraging een
verlaging van meer dan het in artikel 5:53, eerste lid van de
Algemene wet bestuursrecht genoemde bedrag kan worden
opgelegd.
Het college kan afzien van een verlaging als het
daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
Als het college afziet van een verlaging op grond van
dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan
schriftelijk op de hoogte gesteld.
Hoofdstuk 1.
Artikel 3.
Afzien van verlaging
Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Beuningen 2015