Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 5.1.8.3

Graven sleuf

Onderdeel van Handboek Leidingen 2006

De leiding moet volgens de gewaarmerkte uitvoeringstekeningen met de voorgeschreven gronddekking worden aangelegd. Het is van belang dat niet dieper wordt ontgraven dan het niveau dat is aangegeven voor de onderkant van de leiding in verband met optredende klink van geroerde grond. Het is verboden binnen de invloedsfeer van leidingen machinaal te graven met een tandenbak en leidingen aan te prikken met een scherp/ puntig voorwerp. Het talud moet zijn aangepast aan de sleufdiepte, de eventuele bemaling en de grondsoort, opdat de sleufwanden niet kunnen instorten en/ of uitzakken. Zo nodig moet de sleufwand met worden gestut. Het is van belang de sleufbodem zo uit te voeren dat de leiding wordt aangelegd zoals in de berekening is voorzien. Het kan nodig zijn een zandlaag onder de leiding aan te brengen. De sleuf moet worden vrijgehouden van voorwerpen die de leiding zouden kunnen beschadigen. Grind, stenen en/ of andere harde materialen nabij de definitieve plaats van de leiding moeten worden verwijderd en afgevoerd.

Rechtspraak bij dit artikel